Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:576

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
17/2954 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitenlandbijdrage ZVW juist vastgesteld. Woonlandfactor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2954 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
28 februari 2017, 16/5933 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Duitsland (appellant)

CAK

Datum uitspraak: 28 februari 2018

PROCESVERLOOP

Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK ook verstaan Zorginstituut Nederland.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2018. Appellant is, met bericht, niet verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woont in Duitsland en ontvangt een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een pensioen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP).

1.2.

CAK heeft appellant op grond van (thans) Verordening (EG) nr. 883/2004

(Vo 883/2004) als verdragsgerechtigde aangemerkt en bepaald dat appellant recht heeft op zorg in zijn woonland Duitsland ten laste van Nederland. CAK heeft verder bepaald dat appellant hiervoor op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) een bijdrage (buitenlandbijdrage) verschuldigd is.

1.3.

CAK heeft bij besluit van 19 augustus 2013 aan appellant de voorlopige jaarafrekening over 2012 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdrage over 2012 is vastgesteld op € 4.367,51. Het hiertegen gerichte bezwaar van appellant heeft CAK ongegrond verklaard. Daartegen heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft dat beroep ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 13 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:381) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.4.

CAK heeft bij besluit van 12 februari 2016 aan appellant de definitieve jaarafrekening over 2012 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdrage over 2012 (weer) is vastgesteld op

€ 4.367,51. Omdat in 2012 al € 3.773,60 op het inkomen van appellant is ingehouden moest hij nog € 593,91 betalen.

1.5.

Bij besluit van 4 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 februari 2016 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is niet in geschil dat appellant verdragsgerechtigd is, waardoor hij in beginsel een buitenlandbijdrage verschuldigd is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 3 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX9228) heeft de rechtbank overwogen dat door toepassing van de woonlandfactor appellant niet bijdraagt aan zorg die niet valt in het Duitse pakket van de sociale ziektekostenverzekering. Verder heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 19 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1466) en van 13 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:381), uiteengezet op welke wijze de woonlandfactor wordt berekend, overwogen dat de voor de woonlandfactor gebruikte bronnen voldoende te herleiden en inzichtelijk zijn en overwogen dat de woonlandfactor over 2012 in het geval van appellant juist is toegepast.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft bestreden dat hij verdragsgerechtigd is en dat de woonlandfactor juist is toegepast. Hij heeft verder aangevoerd dat hij dubbele ziektekosten betaalt omdat zijn (niet-Nederlandse) echtgenote niet bij hem kan worden meeverzekerd. Volgens appellant heeft de rechtbank zijn reactie op het verweerschrift niet naar CAK doorgezonden en kon daarom de zitting (nog) niet plaatsvinden. Verder is de rechtbank onvoldoende ingegaan op appellants verzoeken om een vertegenwoordiger van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij de zitting aanwezig te laten zijn, om nadere stukken op te vragen en om het afschrift van zijn paspoort uit het dossier te verwijderen. Ten slotte heeft appellant verzocht om terugbetaling van het door hem betaalde griffierecht.

3.2.

CAK heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Nu appellant in Duitsland woont en een AOW-pensioen en een ABP-pensioen ontvangt, is hij op grond van artikel 24 van Vo 883/2004 verdragsgerechtigde en is hij op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) een buitenlandbijdrage verschuldigd.

4.2.

De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat wat appellant heeft aangevoerd over de woonlandfactor, niet slaagt. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. Appellant wordt dan ook niet gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank niet op basis van de beschikbare informatie tot haar oordeel kon komen. Dat de niet-Nederlandse echtgenote van appellant zich afzonderlijk moet verzekeren, betekent verder niet dat de buitenlandbijdrage onjuist is vastgesteld. Appellant heeft ook verder niets aangevoerd waaruit blijkt dat de vastgestelde buitenlandbijdrage onjuist is.

4.3.

De beroepsgrond van appellant dat de rechtbank heeft nagelaten zijn reactie op het verweerschrift aan CAK door te zenden, mist feitelijke grondslag. Uit de brief van

4 januari 2017 blijkt dat de rechtbank deze reactie heeft doorgezonden. CAK heeft in het verweerschrift bevestigd dat de reactie is ontvangen. Wat appellant daarover verder heeft aangevoerd, slaagt daarom niet.

4.4.

Over het standpunt van appellant dat de rechtbank niet of onvoldoende is ingegaan op wat hij in beroep heeft aangevoerd, overweegt de Raad dat volgens haar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746, en

18 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0267) de bestuursrechter niet op alle aangevoerde gronden en argumenten hoeft in te gaan, maar zich kan beperken tot de kern daarvan. In het licht van deze rechtspraak is de rechtbank in haar motiveringsplicht niet tekortgeschoten.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Ook ziet de Raad geen aanleiding voor de door appellant verzochte vergoeding van het griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2018.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) J.R. Trox

KS