Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:551

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
16/4196 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering van het bedrijfskrediet. Onvoldoende overzicht in de financiële situatie. Appellanten zijn hun verplichtingen niet nagekomen. De vordering is direct opeisbaar inclusief de rente. Overschrijding redelijke termijn: Ieder van de appellanten ontvangt € 250,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4196 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

17 mei 2016, 13/2159 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Schagen (college)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)

Datum uitspraak: 27 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2018. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Hopman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.W.J. van Bommel.

Naar aanleiding van de klacht van appellanten over de lange duur van de procedure heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1. Als gevolg van de opheffing per 1 januari 2015 van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Kop van Noord-Holland (ISD-KNH) oefent het college de taken en bevoegdheden in het kader van het Besluit bijstand zelfstandigen (Bbz 2004) uit die voorheen door het dagelijks bestuur van de ISD-KNH (dagelijks bestuur) werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het college tevens verstaan het dagelijks bestuur.

1.1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2.

In verband met het beginnen van een koeriersdienst heeft het college aan appellanten ingevolge het Bbz 2004 met ingang van 1 mei 2012 bijstand voor de kosten van levensonderhoud toegekend naar de norm voor gehuwden in de vorm van een renteloze lening en bedrijfskapitaal van € 23.600,- in de vorm van een rentedragende lening. Van het bedrijfskapitaal hebben appellanten onder andere een bedrijfsauto gekocht voor € 17.370,17, exclusief Btw. Aan de bijstand zijn de verplichtingen verbonden om elk jaar vóór 1 juli de jaarcijfers van het bedrijf en de belastingaangifte over het voorgaande jaar over te leggen, tijdig af te lossen op de lening van het bedrijfskapitaal en daarover rente te betalen. De bijstand voor de kosten van levensonderhoud is halfjaarlijks verlengd.

1.3.

Bij besluit van 16 april 2013 heeft het college de bijstand voor de kosten van levensonderhoud verlengd tot 1 juni 2013 en tegelijk beëindigd per 1 juni 2013 omdat geen sprake is van een aantoonbare ontwikkeling naar een levensvatbaar bedrijf. Voorts heeft het college het openstaande bedrag van het geleende bedrijfskapitaal, verhoogd met rente tot en met het eerste kwartaal van 2013, op grond van artikel 43 en 44, eerste lid, van het Bbz van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 23.197,60. Hieraan ligt ten grondslag dat appellanten over de maanden januari 2013 tot en met maart 2013 niet volledig aan hun aflossingsverplichting hebben voldaan, de rentenota over het vierde kwartaal van 2012 niet betaald hebben en het college de laatste maanden niet hebben ingelicht over de hoogte van de bedrijfsinkomsten. In het besluit is verder vermeld dat de lening van het bedrijfskapitaal vanaf 1 april 2013 renteloos wordt onder de voorwaarde dat appellanten het bedrijf vóór 1 juni 2013 beëindigen. Als appellanten doorgaan met het bedrijf wordt maandelijks de aflossing en per kwartaal de rente onverminderd in rekening gebracht. Appellanten hebben tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

1.4.

Bij besluit van 6 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 november 2013 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand voor de kosten van levensonderhoud over de periode van 1 mei 2012 tot 1 juni 2013 tot een bedrag van € 15.573,44 teruggevorderd (€ 9.624,64 over 2012 en € 5.948,80 over 2013). Het college heeft het besluit van 16 april 2013 in zoverre herzien dat de openstaande rentedragende lening van € 19.393,20 (bedrijfskapitaal) inclusief rente direct wordt opgeëist en dat het college rente in rekening blijft brengen over de hoofdsom. Voorts heeft het college in plaats van artikel 43 van het Bbz artikel 47 van het Bbz aan de terugvordering van het bedrijfskapitaal ten grondslag gelegd. Het college heeft aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat appellanten het bedrijf na

1 juni 2013 hebben voortgezet, zich niet aan de verplichting hebben gehouden om de jaarcijfers over 2012 tijdig over te leggen, de bedrijfsauto te verkopen in overleg met het IMK en een verkoopnota van de bedrijfsauto te overleggen.

1.5.

Bij besluit van 18 november 2014 (bestreden besluit 2) heeft het college bestreden besluit 1 gewijzigd voor 2012 omdat appellanten over dat jaar alsnog de gevraagde gegevens hebben overgelegd. Het resterende terugvorderingsbedrag over 2012 van € 1.804,88. is tussen partijen niet meer in geschil. De terugvordering over de periode van 1 januari 2013 tot 1 juni 2013 van € 5.948,80 blijft gehandhaafd, evenals de terugvordering van het bedrijfskrediet waarvan het saldo per 12 november 2014 € 19.187,49 bedraagt. Omdat het bedrijf van appellanten inmiddels is beëindigd wordt hierover geen rente meer berekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard omdat het college in eerste instantie niet specifiek om inlichtingen en gegevens over 2013 had verzocht om tot een definitieve vaststelling van de bijstand te komen. De rechtbank heeft bestreden besluit 1 wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. Appellanten zijn nadat de rechtbank het onderzoek ter zitting had geschorst alsnog in de gelegenheid gesteld om stukken in te brengen. Omdat ook de toen door appellanten verstrekte gegevens onvoldoende waren om het netto-inkomen en het recht op bijstand over het jaar 2013 definitief te kunnen vaststellen, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat een bedrag van € 38.507,- is betaald aan [naam] ( [X] ) voor het overnemen van een deel van de werkzaamheden die appellant wegens ziekte zelf niet kon verrichten. Ook hebben appellanten niet onderbouwd waar een bedrag van € 10.219,- dat op de winst- en verliesrekening aan bijzondere lasten (desinvesteringsbijtelling) is opgegeven, op is gebaseerd. Over de terugvordering van het bedrijfskrediet heeft de rechtbank overwogen dat het college op grond van artikel 47 van het Bbz bevoegd was het nog openstaande bedrag van het bedrijfskapitaal, waarvan de terugvordering op zichzelf in rechte vaststaat, inclusief rente terug te vorderen. Ook was het college bevoegd om de terugvordering van het bedrijfskrediet direct op te eisen nu appellanten onvoldoende inzicht hebben gegeven in de hoogte van hun inkomen vanaf

1 juni 2013. Appellanten hebben verder niet aannemelijk gemaakt voor welke prijs zij de bedrijfswagen hebben verkocht. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het hoger beroep richt zich tegen de in stand lating van de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 en de ongegrondverklaring van het beroep tegen bestreden besluit 2. Appellanten hebben bestreden dat zij onvoldoende gegevens hebben verstrekt om het recht op bijstand over 2013 definitief vast te stellen. In hoger beroep hebben zij nog enige financiële gegevens over 2013 verstrekt. Als nieuw stuk hebben appellanten de belastingaanslag inkomstenbelasting over 2013 aangeleverd, waaruit blijkt dat de belastingaangifte van appellanten over dat jaar is geaccepteerd. Voorts hebben appellanten een notitie over de verkoop van de bedrijfsauto, en, opnieuw, een vrijwaringsbewijs en e-mailverkeer over de verkoop van de bedrijfsauto ingezonden. Volgens appellanten hebben zij hiermee onderbouwd dat de verkoop van de bedrijfsauto in overleg met de gemeente heeft plaatsgevonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat met de in hoger beroep ingezonden stukken nog steeds geen vaststelling van het inkomen over 2013 kan plaatsvinden. Het college is niet gebonden aan het verzamelinkomen zoals dat in de aanslag inkomstenbelasting voor 2013 is vastgesteld. Dat de Belastingdienst de aangifte van appellanten heeft geaccepteerd is niet doorslaggevend, omdat de Belastingdienst daarop nog binnen een periode van vijf jaar kan terugkomen. Appellanten hebben verder nog steeds geen bewijs geleverd dat zij een bedrag van € 38.507,- aan K hebben betaald. Gezien de hoogte van het bedrag is dit voor de vaststelling van het inkomen van belang. De stelling van appellanten dat dit een gepasseerd station zou zijn is onjuist, nu de rechtbank aan dit punt uitdrukkelijk een overweging heeft gewijd. Voorts hebben appellanten geen verklaring gegeven voor de desinvesteringsbijtelling van € 10.219,-. De desinvesteringsbijtelling geldt als de ondernemer eerder investeringsaftrek heeft gehad voor bedrijfsmiddelen, maar die binnen vijf jaar na het begin van het kalenderjaar waarin hij de investering deed weer verkoopt. Volgens appellanten betreft dit het verlies op de bedrijfswagen die is verkocht voor € 4.250,- terwijl de aanschafprijs veel hoger was. Het college heeft er echter terecht op gewezen dat in dat geval de desinvesteringsbijtelling € 1.190,- had moeten zijn, namelijk 28% van € 4.250,-. Ter zitting van de Raad heeft appellant opgemerkt dat de boekhouder het verlies in één keer heeft afgeschreven. Met die verklaring, wat daarvan ook zij, is het opgevoerde bedrag van de desinvesteringsbijtelling echter, ook gelet op wat in 4.3 is overwogen, nog steeds niet verklaard.

4.2.

De gemachtigde van appellanten heeft ter zitting van de Raad verzocht om de zaak aan te houden en appellanten alsnog in de gelegenheid te stellen om de gevraagde stukken aan te leveren. De Raad zal niet aan dit verzoek voldoen, nu de rechtbank appellanten al in de gelegenheid heeft gesteld om na de zitting hun boekhouding over 2013 aan te leveren en appellanten daartoe bovendien in hoger beroep ruimschoots de gelegenheid hebben gehad.

4.3.

Over de ontbrekende verkoopnota van de bedrijfsauto heeft appellant verklaard dat hij die niet kan leveren omdat die nooit is opgesteld. Hij meende dat dit niet nodig was omdat hij de auto particulier heeft verkocht. Hij heeft geen bewijzen van de contacten met de koper van de auto omdat deze telefonisch zijn verlopen. De uitgeprinte e-mails die appellanten hebben ingezonden betreffen alleen het e-mailverkeer tussen appellant en het college. Uit een e-mail van 10 juli 2013 van een medewerker van de gemeente [gemeente] blijkt dat appellant er van de zijde van het college uitdrukkelijk op is gewezen dat hij een verkoopnota moest overleggen. De beroepsgrond dat appellant ervan uit mocht gaan dat dit niet nodig was slaagt daarom niet.

4.4.

Omdat appellanten het bedrijf niet vóór 1 juni 2013 hebben beëindigd heeft het college de terugvordering van het bedrijfskrediet uiteindelijk gebaseerd op artikel 47 van het Bbz 2004. Ingevolge dit artikel wordt de bijstand die is verleend in de vorm van een geldlening van de zelfstandige teruggevorderd, indien hij de hieruit voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt. Dit heeft tevens tot gevolg dat het resterende deel van de lening niet renteloos wordt.

4.5.

Appellanten hebben niet betwist dat zij hun bedrijf niet vóór 1 juni 2013 hebben beëindigd. Voorts volgt uit 4.1 tot en met 4.3 dat appellanten met de financiële stukken over 2013 niet voldoende duidelijkheid over hun financiële situatie hebben gegeven en dat zij hun verplichtingen jegens het college bij de verkoop van de bedrijfsauto niet zijn nagekomen. Gelet hierop was het college bevoegd het bedrijfskrediet op grond van artikel 47 van het

Bbz 2004 inclusief rente terug te vorderen en de vordering direct op te eisen. Dat appellant in 2012 ziek is geworden maakt dit niet anders.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ten laste van het college bestaat geen aanleiding.

Verzoek om schadevergoeding

6. Appellanten hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door de rechtbank.

6.1.

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellanten gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellanten.

6.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

6.3.

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 13 september 2013 tot aan de datum van deze uitspraak zijn vier jaar, vijf maanden en

veertien dagen verstreken. De redelijke termijn als vermeld in 6.2 is daarmee met vijf maanden en veertien dagen overschreden. Van omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven voor een langere behandelingsduur is niet gebleken. De overschrijding van de redelijke termijn heeft geheel plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Op het op 13 september 2013 ontvangen bezwaarschrift is immers op 7 november 2013, dus binnen een half jaar beslist en de Raad doet heden, op 27 februari 2018, uitspraak op het hoger beroepschrift.

6.4.

In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). Aan appellanten zal dan ook een schadevergoeding van

€ 500,- worden toegekend, te betalen door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid). Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn komt voor een ieder tot een bedrag van € 250,- voor toewijzing in aanmerking.

7. Voorts bestaat aanleiding om de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden, omdat het verzoek om schadevergoeding eerst ter zitting in hoger beroep is gedaan, begroot op € 501,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot betaling van

een vergoeding van schade tot een bedrag van € 250,- aan appellant onderscheidenlijk

appellante;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) in de

proceskosten van appellanten in hoger beroep tot een bedrag van € 501,-.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2018.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) S.A. de Graaff

HD