Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:550

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
16/4312 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding. Mede-terugvordering. Oordeel strafrechter. De bijstand wordt van appellant medeteruggevorderd omdat betrokkene in de woning van betrokkene een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. Uit het onderzoek blijkt de gezamenlijke huishouding. Het oordeel van de strafrechter doet hieraan geen afbreuk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/114
NJB 2018/603
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4312 PW

Datum uitspraak: 27 februari 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

17 mei 2016, 15/4463 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te Turkije (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Yeniasci, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Yeniasci. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.S. Teunissen. Ter zitting was tevens aanwezig de tolk M. Cordes.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 27 april 2011 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Hij stond tot 28 juli 2015 in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [opgegeven adres] te [woonplaats] (opgegeven adres) met per die datum de vermelding ‘emigratie’.

1.2.

[naam A] ([A 1]) ontving sinds 9 april 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand. Zij staat in de BPR ingeschreven op het adres [Adres 1] te [plaatsnaam] (gemeente Stichtse Vecht). Appellant heeft van

15 juli 2010 tot 1 oktober 2010 ook op dit adres ingeschreven gestaan.

1.3.

Naar aanleiding van een regulier heronderzoek in het kader van de aan [A 1] verleende bijstand, waarbij onder meer bleek dat in de woning van [A 1] een man de telefoon opnam, heeft een handhavingsmedewerker van de gemeente Stichtse Vecht een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [A 1] verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsmedewerker onder meer dossieronderzoek verricht, op 30 september 2013 een huisbezoek aan de woning van [A 1] afgelegd, tijdens welk huisbezoek appellant is aangetroffen, en [A 1] en appellant gehoord. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 januari 2014. Vervolgens heeft de Regionale Sociale Recherche Nieuwegein (sociale recherche) een nader onderzoek ingesteld. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer waarnemingen verricht, appellant en [A 1] verhoord, getuigen gehoord en inlichtingen ingewonnen bij derden. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport en een proces-verbaal van 13 oktober 2014.

1.4.

De resultaten van het onderzoek waren voor het college aanleiding om bij besluit van

19 december 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 april 2015, de bijstand van [A 1] vanaf 19 oktober 2011 in te trekken en de over de periode van 19 oktober 2011 tot en met 30 september 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 34.193,18 van haar terug te vorderen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [A 1] in haar woning een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. [A 1] heeft tegen het besluit van

22 april 2015 geen beroep ingesteld.

1.5.

Bij besluit van 16 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juli 2015 (bestreden besluit), heeft het college het van [A 1] teruggevorderde bedrag met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de Participatiewet (PW) mede van appellant teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat [A 1] niet aan het college heeft gemeld dat zij met appellant in de periode van 19 oktober 2011 tot en met 30 september 2014 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en daardoor ten onrechte bij de verlening van bijstand aan [A 1] geen rekening is gehouden met de middelen van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 19 oktober 2011 tot en met 30 september 2014.

4.2.

In artikel 59, tweede lid, van de PW is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar dat achterwege is gebleven omdat de betrokkene de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat appellant hier die persoon is, is vereist dat hij in de te beoordelen periode met [A 1] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de PW heeft gevoerd.

4.3.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de PW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4.

Evenals in beroep heeft appellant aangevoerd dat in de te beoordelen periode geen sprake was van het hebben van hoofdverblijf in de woning van [A 1], aangezien hij slechts tijdelijk bij [A 1] verbleef, hij steeds is blijven beschikken over een eigen woonadres en dat geen sprake is van wederzijdse zorg.

4.4.1.

De rechtbank heeft hierover het volgende overwogen, waarbij voor eiser appellant en voor verweerder het college moet worden gelezen: “De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche voldoende grondslag bieden voor het standpunt van verweerder dat eiser gedurende de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf feitelijk heeft gehad in de woning van [A 1]. Blijkens het rapportageformulier van

30 september 2013 van de afdeling Sociale Zaken heeft [A 1] tijdens een huisbezoek op

30 september 2013 verklaard dat zij sinds juni 2013 samenwoont met eiser. Tijdens een verhoor op 8 oktober 2014 heeft [A 1] vervolgens verklaard dat zij eiser al vanaf 2009 kent en dat hij vanaf dat moment met regelmaat bij haar over de vloer komt wegens psychische problemen. Verder heeft [A 1] verklaard dat eiser sinds 2014 dagelijks bij haar komt, sinds vier jaar elke dag bij haar eet, dat zij voor hem kookt, de was doet en dat eiser al die tijd in het bezit is van een sleutel van haar woning. Op de vraag van de rapporteur of de situatie zoals die nu is altijd al zo is geweest, heeft [A 1] met ‘ja’ geantwoord. Deze verklaringen van [A 1] worden ondersteund door de bevindingen tijdens het buurtonderzoek en de getuigenverklaringen. Getuige [B], woonachtig op de [Adres 2], heeft immers blijkens het proces-verbaal van 8 oktober 2014 verklaard dat zij eiser al sinds een jaar of vier bijna dagelijks in de woning van [A 1] ziet. Dat zij voorts verklaart dat zij hem soms een week niet ziet, doet niet af aan eisers hoofdverblijf in de woning van [A 1]. Zoals verweerder ter zitting terecht heeft opgemerkt kan het feit dat eiser soms een week niet wordt gezien op het adres van [A 1] worden verklaard doordat hij soms in Turkije verblijft. Ook de verklaringen van [C], [D] en [E] bieden steun aan verweerders standpunt dat eiser hoofdverblijf had in de woning van [A 1]. De rechtbank heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze getuigen te twijfelen. Eisers stelling dat hij slechts tijdelijk bij [A 1] verbleef onderschrijft de rechtbank gelet op het voorgaande dan ook niet. Dat eiser in de te beoordelen periode op een ander adres in de Basisregistratie Personen stond ingeschreven, te weten de [opgegeven adres] te [woonplaats], en hij, zoals hij stelt voor die woning ook huur betaalde, laat onverlet dat de onderzoeksresultaten voldoende zijn om aan te nemen dat eiser niet in de woning aan de [opgegeven adres] te [woonplaats] maar in de woning van [A 1] zijn hoofdverblijf had.”

De Raad kan zich vinden in deze overwegingen en neemt deze over. Hij voegt daaraan het volgende toe.

4.4.2.

Dat, zoals appellant heeft aangevoerd, [A 1] is teruggekomen van haar verklaring bij de sociale recherche en per e-mail van 3 september 2015 heeft verklaard dat zij niet samenwoont met appellant, leidt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. [A 1] heeft tegenover de sociale recherche ook verklaard dat appellant niet bij haar woont, maar heeft verder concreet en gedetailleerd verklaard over haar feitelijke woon- en leefsituatie en de dagelijkse aanwezigheid van appellant in haar woning, zoals ook blijkt uit de in 4.4.1 opgenomen overwegingen.

4.4.3.

De verklaring van [A 1] over de feitelijke woon- en leefsituatie vindt steun in de verklaring van appellant tegenover de sociale recherche. Hij heeft ook zelf verklaard dat hij iedere dag bij [A 1] komt om bij haar te eten, dat hij - als hij bij [A 1] is - in de hele woning mag komen, dat hij er vaak slaapt (maar niet elke dag), dat hij “Vier jaar ofzo” bij haar komt, dat zijn hond steeds in de woning van [A 1] was en dat in die woning ook kleding van hem is.

4.4.4.

Appellant heeft in hoger beroep benadrukt dat hij in de te beoordelen periode over eigen woonruimte aan de [opgegeven adres] in [woonplaats] beschikte, dat hij op dat adres stond ingeschreven in de BRP en de woonlasten van die woning droeg. Deze gegevens brengen op zichzelf nog niet mee dat appellant zijn feitelijke hoofdverblijf ook op dat adres had. Het ter plaatse van dat adres door de sociale recherche verrichte onderzoek, bestaande uit het horen van twee aanwezige bewoonsters en van omwonenden, wijst dat juist niet uit.

4.4.5.

Ten slotte komt in ondersteunende zin betekenis toe aan de door de sociale recherche in verschillende periodes van 2014 verrichte waarnemingen nabij de woning van [A 1].

4.5.

De conclusie is dat de rechtbank het college terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.6.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het criterium van wederzijdse zorg in een concreet geval is voldaan.

4.6.1.

De onderzoeksbevindingen van de sociale recherche bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat ook aan het criterium van de wederzijdse zorg is voldaan.

4.6.2.

[A 1] heeft verklaard dat appellant sinds vier jaar elke dag bij haar heeft meegegeten, dat zij voor appellant kookte en de was voor hem deed. Dit wordt bevestigd door de verklaring van de dochter van [A 1]. In hoger beroep heeft appellant nog vermeld dat [A 1] voor hem zorgde als hij depressies had en tijdens periodes waarin hij onder behandeling stond voor hem als chauffeur fungeerde. Deze elementen zijn voldoende om aan te nemen dat sprake was van verlening van zorg van [A 1] jegens appellant.

4.6.3.

Appellant heeft aangevoerd dat de zorg in ieder geval niet wederzijds was, aangezien hij eenzijdig werd verzorgd door [A 1]. Bij de beoordeling van deze beroepsgrond stelt de Raad voorop dat voor het aannemen van wederzijdse zorg niet noodzakelijk is dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft (uitspraak van 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1459). De zorg moet wel een meer dan incidenteel karakter hebben en van enig gewicht zijn. Daaraan is in dit geval op grond van het volgende voldaan. [A 1] en haar dochter hebben verklaard dat appellant af en toe geld op tafel legde voor de boodschappen, ongeveer eens per maand € 50,-. Hierover heeft de dochter van [A 1] gezegd dat hij tenslotte ook mee-eet. Appellant heeft verklaard dat hij en [A 1] om de beurt koken en dat hij soms dingen meeneemt voor [A 1], waarbij gedacht moet worden aan vlees en koffie. Ook vergezelde appellant [A 1] bij doktersbezoek.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat appellant en [A 1] in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het adres van [A 1]. Dat, zoals appellant nog naar voren heeft gebracht, [A 1] hem opvang heeft geboden in verband met zijn psychische problemen, leidt niet tot een ander oordeel. De omstandigheden die tot een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn niet van belang. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria.

4.8.

De omstandigheid dat de strafrechter appellant van het hem ten laste gelegde opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed, meermalen gepleegd, heeft vrijgesproken, doet volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5715) aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan wat in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Dat blijkt ook in dit geval. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwaren heeft in het arrest van 21 september 2017 volstaan met de overweging dat het hof in het bijzonder onvoldoende bewijs aanwezig acht dat appellant wist, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet, dat B (lees: [A 1]) onjuiste inlichtingen verstrekte met betrekking tot de door haar ontvangen uitkering. Aan het bestreden besluit ligt artikel 59, tweede lid, van de PW ten grondslag, zoals hiervoor onder 4.2 weergegeven. Hierbij spelen opzet en voordeel verkrijgen geen rol. Dit betekent dat in de strafrechtelijke procedure jegens appellant niet hetzelfde feitencomplex en hetzelfde juridische beoordelingskader aan de orde is als bij het hier in geschil zijnde medeterugvorderingsbesluit.

4.9.

Gelet op wat is overwogen in 4.4 tot en met 4.8, is appellant de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan [A 1] rekening had moeten worden gehouden. [A 1] heeft niet aan het college gemeld dat zij in te beoordelen periode met appellant een gezamenlijke huishouding voerde. Dit betekent dat de verlening van gezinsbijstand achterwege is gebleven, omdat [A 1] de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Ten aanzien van appellant is daarom voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de PW.

4.10.

Appellant heeft aangevoerd dat het onredelijk en in strijd met het gelijkheidsbeginsel is dat hij een terugbetalingsverplichting heeft jegens het college, terwijl [A 1] in feite niet aan die verplichting wordt gehouden en ook niets terugbetaalt. Aan haar wordt weer bijstand verleend en hij begrijpt niet waarom zij daaruit niet kan terugbetalen aan de gemeente. Dat is te meer onredelijk omdat alleen [A 1] en niet hij voordeel heeft genoten van de bijstand. Voor zover het bestreden besluit in stand blijft, verzoekt appellant de terugbetalingsverplichting alleen aan [A 1] op te leggen. Meer subsidiair verzoekt hij het terug te vorderen bedrag aanzienlijk te matigen.

4.10.1.

In deze door appellant aangevoerde omstandigheden heeft het college terecht geen aanleiding gezien geheel of gedeeltelijk van medeterugvordering af te zien. In het midden kan blijven of appellant al dan niet voordeel heeft genoten van de aan [A 1] verstrekte bijstand, omdat dit voor de toepassing van artikel 59, tweede lid, van de PW niet van belang is. Verder is ter zitting van de Raad gebleken dat het college [A 1] wel aan de terugvorderingsverplichting houdt, maar dat bij [A 1] feitelijk niet kon en kan worden ingevorderd vanwege de hoogte van de tot nu toe op haar situatie van belang zijnde beslagvrije voet.

4.11.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en G.M.G. Hink en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2018.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J.M.M. van Dalen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD