Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:549

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
17/2455 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf. Hoogte energie- en waterverbruik. Verklaringen. Bewijs. Uit onderzoek van het college blijkt niet dat appellant niet zijn woonadres op het uitkeringsadres had. Aan de verklaringen komt niet de waarde toe die het college eraan toekend. Het water- en energieverbruik is niet alleen aan appellant toe te rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2455 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

7 maart 2017, 16/6750 en 16/6751 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 27 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.M. van Rooij-Houweling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Rooij-Houweling. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving bijstand van 22 oktober 2013 tot 1 november 2015 naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%, laatstelijk ingevolge de Participatiewet. Op het uitkeringsadres stonden verder ingeschreven, huisvriend N en B, een neef van appellant.

1.2.

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek zijn vanaf 25 mei 2015 camerabeelden gemaakt van de schuur bij de woonwagen van W, de moeder van de zoon van appellant. Uit deze camerabeelden bleek dat appellant daar veelvuldig was. Naar aanleiding van deze informatie heeft de sociale recherche van de gemeente Den Haag een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader daarvan hebben sociaal rechercheurs W en N als getuigen gehoord, appellant verhoord en bij Eneco verbruiksgegevens van de elektriciteit opgevraagd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 14 januari 2016, aangevuld met gegevens over het waterverbruik op 10 juni 2016.

1.3.

Bij besluit van 4 januari 2016, aangevuld bij besluit van 11 januari 2016 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juli 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant herzien over de periode van 25 mei 2015 tot en met 31 oktober 2015 en de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 3.580,06 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat uit onderzoek is gebleken dat appellant in deze periode niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.1.

Het besluit tot herziening van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie te verstrekken over zijn woonadres aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.3.

Partijen zijn het erover eens dat de cameraobservatie heeft aangetoond dat appellant frequent bij de schuur van W aanwezig is geweest, maar niets zegt over zijn hoofdverblijf.

4.4.

Het college heeft de conclusie dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres gebaseerd op de verklaringen van W en N en gegevens over het energie- en waterverbruik.

4.4.1.

W heeft verklaard dat zij en appellant samen betrokken zijn bij de opvoeding van hun zoon, dat appellant overdag altijd bij haar is, dat hun zoon vier dagen per week voetbalt, waarvan de zoon op drie dagen training heeft en dat appellant alles regelt wat met voetbal te maken heeft, dat hij op trainingsdagen meestal mee eet, dat appellant niet bij haar slaapt, dat ze niet samenwonen, dat appellant familie heeft op het kamp en dag en nacht op het kamp komt en daar de meeste tijd verblijft; of hij op het kamp slaapt weet W niet.

4.4.2.

N heeft over de indeling van de woning op het uitkeringsadres verklaard dat op de eerste etage de gemeenschappelijke woonkamer is en de keuken, dat op de tweede etage hij een eigen slaapkamer heeft, B een eigen slaapkamer heeft en een chill-kamer met een bar, waar een stretcher staat waar appellant op kan slapen. Appellant komt om de drie, vier dagen, blijft meestal een nachtje slapen op die stretcher of op de bank, pakt dan zijn spulletjes weer en vertrekt. Appellant is er dus vaker niet dan wel.

4.4.3.

Het elektriciteitsverbruik van 19 september 2014 tot en met 29 september 2015

was 1.554 kWh. Volgens informatie van het Nibud is het gemiddeld verbruik voor drie personen 4.114 kWh per jaar, voor twee personen 3.533 kWh en voor één

persoon 2.405 kWh. Het waterverbruik was van 8 oktober 2014 tot 13 oktober 2015 67 m³. Het gemiddeld verbruik voor een driepersoonshuishouden is 127 m³ en voor een tweepersoonshuishouden 93 m³.

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat het college met deze gegevens niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres. Appellant had daar wel degelijk een eigen slaapkamer. De verklaring van W dat appellant “dag en nacht” op het kamp komt is gebezigd als uitdrukking; W heeft ook verklaard dat zij niet weet of appellant op het kamp slaapt. N is appellant geregeld misgelopen omdat hij wisselende diensten had en zelf weinig op het uitkeringsadres verbleef. Het lage energieverbruik bevestigt niet de verklaring van N dat appellant veel afwezig was, maar kan ook te maken hebben met de afwezigheid

van N of B, kan veroorzaakt zijn door defecte meters, onjuist doorgegeven meterstanden of het gevolg zijn van zuinig energieverbruik. Hetzelfde geldt voor het lage waterverbruik.

4.6.

Anders dan de rechtbank en met appellant is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens niet de conclusie rechtvaardigen dat appellant zijn hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres. Het is aannemelijk dat W haar verklaring dat appellant “dag en nacht” op het kamp verbleef heeft gebezigd als uitdrukking, omdat zij direct daarna desgevraagd heeft verklaard dat zij niet weet of appellant op het kamp slaapt. De verklaring van W heeft dan ook niet de waarde die het college daaraan heeft toegekend. Het college heeft geen huisbezoek afgelegd en B niet als getuige gehoord, zodat niet kan worden vastgesteld of de derde kamer op de tweede etage de chill-kamer was van B of de slaapkamer van appellant, zoals appellant ter zitting van de Raad heeft verklaard. Verder heeft het college geen nader onderzoek gedaan naar de aan- en afwezigheid van N op het uitkeringsadres, maar volstaan met de stelling dat het niet aannemelijk is dat N, die heeft verklaard gemeenteambtenaar te zijn, onregelmatige werktijden zou hebben. Ook aan de verklaring van N komt dan ook niet de waarde toe die het college daaraan heeft toegekend. Nog los van de mogelijke verklaringen die appellant daarvoor heeft gegeven en zijn veelvuldige afwezigheid overdag, kan het lage energie- en waterverbruik op zichzelf dan ook niet alleen aan appellant worden toegerekend.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het college het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid, waardoor het niet berust op een deugdelijke (feitelijke) grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Ook bestaat aanleiding om de besluiten van 4 januari 2016 en 11 januari 2016 te herroepen, omdat aan deze besluiten hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en het, gelet op het tijdsverloop en omdat appellant inmiddels elders woont, niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld. Dit betekent dat appellant over de periode van 25 mei 2015 tot en

met 31 oktober 2015 recht houdt op bijstand.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in bezwaar, € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.006,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 juli 2016;

- herroept de besluiten van 4 januari 2016 en 11 januari 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in

de plaats treedt van het vernietigde besluit van 11 juli 2016;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 3.006,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2018.

getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) S.A. de Graaff

HD