Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:545

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
16/3231 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:2260, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenverplichting. Appellante heeft haar inkomsten niet doorgegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3231 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2016, 15/2033 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 27 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Aynan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. J. Nieuwstraten, kantoorgenoot van mr. Aynan, heeft namens appellante nadere stukken ingediend.

Het college heeft in reactie op de nadere stukken een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nieuwstraten. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 15 november 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Na een signaal in verband met inkomsten van appellante bij [naam werkgever] heeft een klantmanager bij de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Rotterdam (klantmanager) onderzoek gedaan naar het recht op bijstand van appellante. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat appellante inkomsten uit haar dienstverband bij [naam werkgever], ingaande 2 september 2013, niet heeft gemeld. Ook heeft het college van appellante sinds 1 oktober 2012 geen loonstroken meer ontvangen van de Stichting [naam atichting] ([naam atichting]), waar appellante sinds 1 oktober 2011 een dienstverband heeft. Dit was voor de klantmanager aanleiding om bij brief van 28 mei 2014 bij appellante aanslagen inkomstenbelasting en loonstroken van beide werkgevers op te vragen.

1.3.

Het college heeft bij besluit van 2 juli 2014, voor zover hier van belang, het recht op bijstand over de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 mei 2014 herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.704,40 van haar teruggevorderd. Bij besluit van 11 februari 2015 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 juli 2014 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van haar inkomsten bij [naam atichting] en [naam werkgever]. Als gevolg daarvan heeft zij te veel bijstand genoten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard in verband met een verkeerde berekening van het te veel betaalde bedrag over de maand september 2013. De rechtbank heeft om die reden het bestreden besluit vernietigd voor zover het de herziening over de maand september 2013 en de terugvordering betreft. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door de herziening en de terugvordering gewijzigd vast te stellen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank het bestreden besluit in stand heeft gelaten en voor zover de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante betwist dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Zij voert daartoe aan dat zij de loonstroken wel degelijk heeft ingeleverd. Zij leverde de stukken met ingang van oktober 2012 niet langer in aan de Keizerswaard, maar aan de Dynamostraat. Omdat aan de Dynamostraat de stukken niet aan de balie ingeleverd konden worden, deed zij die daar in de brievenbus. Omdat het salaris niet juist werd gekort op de bijstand, heeft zij vele malen contact opgenomen met het Rotterdamse servicenummer 14010 (14010). Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt gewezen op verklaringen van haar nicht en van haar zus, alsmede op de vele contactregistraties van 14010.

4.2.

Appellante heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat zij de loonstroken heeft ingeleverd. Zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, zijn de verklaringen van de zus en de nicht weinig concreet en onvoldoende specifiek. Bovendien verklaart appellante niet consistent. Ter zitting van de rechtbank heeft zij verklaard dat zij een kindje thuis heeft en de loonstroken alleen 's avonds kan inleveren. Ter zitting van de Raad was de reden om de loonstroken met ingang van oktober 2012 aan de Dynamostraat in te leveren juist gelegen in het feit dat zij de loonstroken dan lopend vanaf haar werk kon inleveren.

4.3.

Ook de door appellante overgelegde contactregistraties maken niet aannemelijk dat appellante de loonstroken heeft ingeleverd. Uit die registraties blijkt wel dat er veel contactmomenten over uiteenlopende zaken zijn geweest, maar niet dat daarbij is gesproken over het niet juist verwerken van loonstroken. Hierbij is van betekenis dat uit de weergave van de contactmomenten die er wel zijn geweest niet blijkt dat op die momenten gesproken is over het niet juist korten van de inkomsten. Bovendien is het niet aannemelijk dat appellante ruim anderhalf jaar lang - van oktober 2012 tot het verzoek om informatie op 25 mei 2014 - iedere maand loonstroken inlevert aan de Dynamostraat en dat alle in die periode ingeleverde loonstroken zijn zoekgeraakt.

4.4.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat het college haar in aanmerking had moeten brengen voor een vrijlating op grond van artikel 31, tweede lid, onder n of r van de WWB. Ook die grond slaagt niet. Daartoe is van belang dat het college het beleid voert geen inkomsten vrij te laten indien de inkomsten niet tijdig zijn opgegeven. Dat beleid is niet onredelijk omdat het college vooraf moet kunnen beoordelen of vrijlating van inkomsten kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling. Met betrekking tot de dienstbetrekking bij [naam atichting] wijst de Raad bovendien op het feit dat appellante van 1 oktober 2011 tot en met 31 maart 2012 een vrijlating heeft genoten. Nu aansluitend geen vrijlating is verleend had appellante daartegen op dat moment moeten opkomen. Zij kan daar niet in het kader van een herziening met ingang van 1 oktober 2012 - een half jaar later - alsnog een beroep op doen.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat de gronden in hoger beroep niet slagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en M. Hillen en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2018.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) S.A. de Graaff

HD