Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
16/4737 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeterugvordering. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf. Voldoende onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4737 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

8 juni 2016, 15/4411 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland (college)

Datum uitspraak: 27 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.J. Bomhof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bomhof. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

[Naam P] (P) ontving sinds 28 mei 2014 bijstand, aanvankelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en vanaf 1 januari 2015 op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. P stond ingeschreven op het adres [Uitkeringsadres] te [plaatsnaam] (uitkeringsadres). Appellant stond ingeschreven op het adres [Adres] te [woonplaats].

1.2.

Naar aanleiding van een melding van [Naam S] (S), ex-echtgenote van appellant, dat appellant bij P inwoont, hebben Toezichthouders WWB van de gemeente Smallingerland (toezichthouders) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan P verleende bijstand. In dat kader hebben de toezichthouders onder meer dossieronderzoek gedaan, over meerdere periodes waarnemingen bij het uitkeringsadres verricht, S gehoord, een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd en P gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 september 2014.

1.3.

Bij besluit van 17 maart 2015 heeft het college met toepassing van artikel 59 van de PW een bedrag van € 7.809,98 mede van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 24 april 2015 heeft het college de algemene bijstand en bijzondere bijstand van P met ingang van 28 mei 2014 ingetrokken en de over de periode van 28 mei 2014 tot

1 december 2014 gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand tot een bedrag van € 7.809,98 van P teruggevorderd. P heeft tegen het besluit van 24 april 2015 geen bezwaar gemaakt.

1.5.

Bij besluit van 2 november 2015 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 maart 2015 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat P en appellant in de periode van 28 mei 2014 tot 1 december 2014 een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres en dat P daarvan ten onrechte geen mededeling aan het college had gedaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 28 mei 2014 tot 1 december 2014, de periode waarover het college de kosten van bijstand van P mede van appellant heeft teruggevorderd.

4.2.

Artikel 59, tweede lid, van de PW bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat appellant hier die persoon is, is vereist dat hij in de te beoordelen periode met P een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de WWB op het uitkeringsadres heeft gevoerd.

4.3.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat het college naar zijn hoofdverblijf onzorgvuldig en onvolledig onderzoek heeft gedaan. Zo heeft geen onderzoek plaatsgevonden op zijn huisadres. Ook heeft het college appellant niet gehoord. Aan de verklaring van zijn huisgenoten in [woonplaats] heeft het college te weinig gewicht toegekend. De verklaring van P is onjuist, met name gelet op de resultaten van een huisbezoek in juni 2014 bij P. Op grond van de volgende overwegingen, slagen deze gronden niet.

4.6.

De bevindingen van het onderzoek, zoals neergelegd in het rapport van 3 september 2014, bieden voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had in de woning van P op het uitkeringsadres. P heeft op 11 december 2014 tijdens het huisbezoek verklaard:

“Toen ik deze woning gekregen heb, heeft [Appellant] [lees: appellant] mij geholpen met klussen en verhuizen. (…) Eigenlijk is [Appellant] hier vanaf het begin bij mij geweest. (…) [Appellant] heeft zijn paarse laptop, de paarse hier liggen. Hij doet zijn administratie hier ook. (…) De televisie is ook van [Appellant].”

Tijdens het huisbezoek hebben de toezichthouders kleding van appellant en zijn kinderen in de woning aangetroffen, waaronder kleding en werkkleding in een kledingkast en sokken en ondergoed in een la. In de badkamer lagen toiletartikelen van appellant, waaronder scheerschuim, douchegel, deodorant en gel. Aan de kapstok hing een jas van appellant en in de hal stonden schoenen van appellant. Tevens hingen in de woning foto’s van de kinderen van appellant. Uit de waarnemingen valt af te leiden dat appellant op diverse tijdstippen de woning ingaat en verlaat.

4.7.

De schriftelijke verklaring van de huisgenoten van appellant in [woonplaats] alsmede hun verklaringen bij de hoorzitting in bezwaar zijn onvoldoende specifiek en concreet om tot een ander oordeel te kunnen komen. Gelet op de onderzoeksbevindingen zoals verwoord

onder 4.6 was het college dan ook niet gehouden om nader onderzoek te doen. Het feit dat het aangekondigde huisbezoek aan het uitkeringsadres in juni 2014 “geen bijzonderheden” heeft opgeleverd, maakt dit, gelet op de voorhanden concrete onderzoeksbevindingen, niet anders.

4.8.

Appellant heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat tussen hem en P in de te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg. Geen grond bestaat om op dit punt tot een ander oordeel te komen.

4.9.

Uit 4.6 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en M. Hillen en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2018.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J. Tuit

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD