Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:543

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
16/164 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering. Ten aanzien van de gestelde ernstiger beperking op samenwerken, vaste werkplek en verdergaande urenbeperking heeft de verzekeringsarts enkel gesteld dat hiervoor geen aanleiding is. De motivering van de verzekeringsarts is summier en overtuigt de Raad niet van de juistheid van de FML op de genoemde punten. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De Raad draagt het Uwv op om het gebrek in het besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 164 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

18 december 2015, 15/1793 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 21 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.M.J. Schrijver hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schrijver. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 17 april 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van

29 juni 2015 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 17 juli 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig onderzoek hebben verricht en er geen twijfels zijn aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 juni 2015. Bij deze FML heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, mede gezien de in bezwaar ingediende informatie van de behandelende arts

R. Vizee (Mediant) van 17 juni 2015, aanvullende beperkingen opgenomen voor samenwerken, verhoogd persoonlijk risico, rechtstreeks contact met klanten en patiënten evenals een urenbeperking tot gemiddeld 20 uur per week en gemiddeld vier uur per dag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd dat voor meer beperkingen, met name voor het verdelen van de aandacht en intensieve begeleiding, dan aangenomen in de FML geen medische grondslag is, omdat dit niet wordt ondersteund door de informatie van Mediant van 17 juni 2015, het in beroep ingediende verslag van Mediant van 19 oktober 2015 en de overige ter beschikking staande medische gegevens. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de geschiktheid voor appellante van de geselecteerde functies afdoende is gemotiveerd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante in essentie herhaald wat zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Zij is van mening dat haar belastbaarheid door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet geheel juist is ingeschat en daardoor onvoldoende beperkt is geacht voor samenwerken en dat onvoldoende rekening is gehouden met de noodzaak van een vaste werkplek. Verder is zij niet in staat zelfstandig haar werkplek te bereiken wegens haar psychische klachten. Omdat zij slechts op basis van “graded activity” werkzaamheden kan verrichten, dient een verdergaande urenbeperking te worden gehanteerd tot maximaal twee uur per dag. Ter ondersteuning van haar betoog heeft zij het verzekeringsgeneeskundig expertiserapport van 8 februari 2016 van verzekeringsarts R.J. van den Oever ingezonden, evenals diens nadere reactie van 29 juni 2016.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak en hiertoe twee nadere rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Appellante heeft gewerkt als schoonmaakster gedurende 18,68 uur per week tot mei 2013. Vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet heeft zij zich op

1 juli 2013 ziek gemeld wegens psychische klachten en knieklachten. Uit het dossier blijkt dat appellante met name last had van angstaanvallen en klachten van depressie. Bij de eerstejaars ziektewetbeoordeling in april 2014 stelde de verzekeringsarts vast dat sprake was van geringe benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid, omdat appellante veel begeleiding nodig had om in het dagelijks leven in geringe mate te kunnen functioneren. Het

re-integratietraject werd in december 2014 op een laag pitje gezet, omdat appellante een terugval had. In april 2015 werd een nieuwe behandeling bij Mediant opgestart ter verwerking van een aantal traumatische ervaringen (imaginaire exposure), met medicamenteuze begeleiding door R. Vizee, arts, en begeleiding door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige (spv). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij FML van

22 juni 2015 een aantal beperkingen aangenomen voor het persoonlijk en sociaal functioneren. Bij rapport van 8 februari 2016 heeft de door appellante ingeschakelde verzekeringsarts Van den Oever verslag gedaan van zijn onderzoeksbevindingen en conclusies. Hij heeft appellante op 12 januari 2016 onderzocht en kennis genomen van het medisch dossier. Van den Oever is het niet geheel eens met de FML ten aanzien van samenwerken (kan wel zelfstandig werken maar niet in groepsverband). Hij acht een vaste werkplek voor appellante noodzakelijk evenals een vervoersvoorziening voor het reizen naar het werk (zij heeft hierbij begeleiding nodig). Verder acht hij een verdergaande urenbeperking tot 2 uur per dag noodzakelijk, gelet op de ziektebeelden bij appellante die een stoornis in de energiehuishouding met zich meebrengen met een langdurig verhoogd, niet fysiologisch niveau van activatie door een cumulatie van psychische belasting en verminderde recuperatie als gevolge van slaap-waak problematiek. De (trauma)behandeling bij Mediant is gebaseerd op “graded activity”, dit rechtvaardigt ook een verdergaande urenbeperking.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierop bij rapporten van 15 maart 2016 en

2 september 2016 te kennen gegeven niet te kunnen meegaan in de visie van Van den Oever ten aanzien van het niet zelfstandig kunnen reizen en bovendien erop gewezen dat indien nodig een vervoersvoorziening kan worden aangevraagd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het standpunt, zoals neergelegd in zijn aan het bestreden besluit ten grondslag liggende rapport van 22 juni 2015, gehandhaafd. Ten aanzien van de gestelde ernstiger beperking op samenwerken, vaste werkplek en verdergaande urenbeperking heeft hij enkel gesteld dat hiervoor geen aanleiding is. De motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is summier en overtuigt de Raad niet van de juistheid van de FML op de genoemde punten. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

4.4.

Gelet op overweging 4.3. bestaat aanleiding om met toepassing artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Hiertoe dient een nader rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te worden ingediend. Indien dit leidt tot een aangepaste FML dient een nader rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te worden ingediend en eventueel een nieuwe beslissing op bezwaar te worden genomen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen 6 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 17 juli 2015 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) H. Achtot

.

CVG