Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:536

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
16/343 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:9254, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De conclusies van de deskundige berusten op een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek en zijn overtuigend gemotiveerd en is volledig in lijn met de bevindingen van de door appellante ingeschakelde deskundige. Bij het ontbreken van functies die aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van appellante ten grondslag kunnen worden gelegd moet appellante daarom worden aangemerkt als volledig arbeidsongeschikt en dient appellante in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 343 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

18 december 2015, 15/110 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] e/v [Betrokkene] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Als partij heeft tevens aan het geding deelgenomen [naam werkgeefster] te [vestigingsplaats] (werkgeefster)

Datum uitspraak: 22 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Breevoort hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2016. Voor appellante is verschenen mr. Breevoort. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

L.J.M.M. de Boer. Werkgeefster is niet verschenen.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft verzekeringsarts

L. Greveling-Fockens als deskundige benoemd.

De deskundige heeft op 22 juni 2017 een rapport uitgebracht waarover het Uwv zijn zienswijze naar voren heeft gebracht.

De deskundige heeft op 1 augustus 2017 nader gerapporteerd. Hierop hebben partijen gereageerd.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als receptioniste/telefoniste voor 37,4 uur per week. Op 28 september 2012 heeft zij zich ziek gemeld met fysieke klachten.

1.2.

Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 28 augustus 2014 vastgesteld dat appellante vanaf 26 september 2014 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 augustus 2014 heeft de arbeidsdeskundige onvoldoende passende functies kunnen duiden,

1.3.

Bij besluit van 26 november 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 augustus 2014 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante op 26 september 2014 niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, omdat verbetering binnen een jaar nog te verwachten was en tevens nog niet gesproken kon worden van een eindsituatie.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd, kort samengevat, dat zij op de datum in geding, 26 september 2014, niet alleen volledig maar ook duurzaam arbeidsongeschikt is. Daartoe heeft zij gesteld dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn standpunt dat er geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid onvoldoende heeft onderbouwd. Ter onderbouwing heeft appellante verwezen naar de brieven van haar behandelend revalidatiearts E.C. Spakman-van de Graaf van 9 januari 2015 en 2 februari 2016 en naar de door haar in beroep bij de rechtbank overgelegde contra-rapportage van verzekeringsarts H.M.Th. Offermans van 6 maart 2015.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen en daarbij nog overgelegd een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 maart 2016.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep spitst het geschil tussen partijen zich toe op de vraag of appellante per datum in geding, 26 september 2014, gezien haar medische situatie, duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom recht heeft op een IVA-uitkering.

4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreek e objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een gering kans op herstel bestaat.

4.3.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896, geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een motivering vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

4.4.

Op verzoek van de Raad heeft verzekeringsarts Greveling-Fockens (deskundige) een onderzoek ingesteld en gerapporteerd over de gezondheidstoestand van appellante en haar mogelijkheden om arbeid te verrichten. In het rapport van 22 juni 2017 heeft de deskundige

verslag gedaan van haar onderzoeksbevindingen en de vragen van de Raad beantwoord, desgevraagd nader aangevuld bij brief van 1 augustus 2017. De deskundige heeft geconcludeerd dat zij zich kan verenigen met de door het Uwv vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 augustus 2014. Deze beperkingen van appellante zijn evenwel op datum in geding, zowel in fysieke als psychische zin, als duurzaam te beschouwen. Verbetering is niet of nauwelijks te verwachten, het eerstkomende jaar en ook daarna niet en heeft dit als volgt toegelicht. Op datum in geding is bij appellante sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Er is sprake van een sterk verminderde mentale belastbaarheid bij forse cognitieve problematiek en een verminderde fysieke belastbaarheid bij chronische pijnklachten en vermoeidheid die gedeeltelijk is toe te schrijven aan de doorgemaakte CVA ’s, de door de behandelend reumatoloog vastgestelde fibromyalgie en de inoperabele HNP lumbaal. De deskundige heeft daarbij verder toegelicht dat de ter beoordeling van de duurzaamheid door de verzekeringsarts toegepaste verzekeringsgeneeskundig protocol ‘Beroerte’ slechts gehanteerd dient te worden als een soort leidraad. Het protocol beschrijft immers een gemiddeld beloop dat niet op iedere patiënt van toepassing geacht kan worden. Dit betekent dat in is dit geschil waarde moet worden gehecht aan de visie van de behandelend revalidatiearts Spakman-van de Graaf, die in de brief van 2 februari 2016 heeft aangegeven dat het herstelvermogen van appellante al na september 2014 verwaarloosbaar was. Zij geeft verder aan dat een jaar na het laatste CVA, te weten

18 september 2014 gesproken kan worden van een eindsituatie. Volgens de deskundige

kan dan ook na 18 september 2014 herstel niet of nauwelijks verwacht worden, ook al zou volgens het protocol twee jaar na de laatste CVA herstel nog mogelijk zijn. De revalidatiearts geeft voorts aan dat de algehele fysieke klachten die appellante ervaart (suboptimale krachten en diverse pijnklachten in het hele lichaam) volgens haar in ieder geval gedeeltelijk zijn toe te schrijven aan de gevolgen van de CVA’s in 2013. De klachten van pijn en vermoeidheid als gevolg van de door de reumatoloog vastgestelde fibromyalgie zijn niet (heel) anders dan die appellante reeds aan heeft gegeven na de CVA’s, waarvan verbetering van het functioneren door een (revalidatie)behandeling niet mogelijk is. De deskundige kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook niet volgen in zijn redenering dat voor fibromyalgie nog een multidisciplinair traject mogelijk is ter verbetering van het functioneren van appellante.

4.5.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt als de motivering hem overtuigend voorkomt. De Raad is van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. De conclusies van de deskundige berusten op een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek en zijn overtuigend gemotiveerd, aan de hand van een relevant medisch onderzoek en kennisneming van de over appellante beschikbare medische informatie. Het medisch oordeel van de deskundige in hoger beroep is overigens volledig in lijn met de bevindingen van de door appellante ingeschakelde deskundige verzekeringsarts Offermans in zijn rapport van 6 maart 2015.

Bij het ontbreken van functies die aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van appellante ten grondslag kunnen worden gelegd moet appellante daarom worden aangemerkt als volledig arbeidsongeschikt. Gelet op de conclusie van Greveling-Fockens die als deskundige geheel in haar oordeel wordt gevolgd, dient appellante in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering.

4.6.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante slaagt en dat de aangevallen uitspraak vernietigd moet worden. Dit geldt tevens voor het bestreden besluit. De Raad ziet voorts aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 28 augustus 2014 te herroepen en te bepalen dat appellante met ingang van

26 september 2014 in aanmerking komt voor een IVA-uitkering op grond van de Wet WIA.

5. Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding wordt toegewezen in die zin dat het Uwv de wettelijke rente moet betalen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

6. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Gelet op het bepaalde in

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten in beroep begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (beroepschrift en verschijnen ter zitting) en op € 175,58 voor kosten van een verslag van een deskundige. In hoger beroep worden deze kosten begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand (beroepschrift en verschijnen ter zitting) en op € 221,35 voor de kosten van een verslag en een zienswijze van een deskundige. Tevens komen de reiskosten die appellante heeft gemaakt voor het deskundigenbezoek ten bedrage van € 22,04 voor vergoeding in aanmerking.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 november 2014;

- herroept het besluit van 28 augustus 2014;

- bepaalt dat appellante met ingang van 26 september 2014 recht heeft op een IVA-uitkering

op grond van de Wet WIA en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit

van 26 november 2014;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellante van de schade zoals in onderdeel 5 van

deze uitspraak is vermeld;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 169,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.422,97.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2018.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) R.L. Rijnen

HD