Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:531

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
17/968 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college artikel 3:5:1, eerste lid, van de ARG op een juiste wijze heeft toegepast door bij de berekening van de ambtsjubileumgratificatie uit te gaan van het bedrag dat appellant bij het bereiken van zijn veertigjarig ambtsjubileum in mei 2015 op basis van zijn deeltijdaanstelling kreeg uitbetaald. Daarbij is aan de belangen van appellant tegemoetgekomen door de einddatum van zijn dienstverband te wijzigen van 1 mei 2015 naar 15 mei 2015, zodat hij zijn veertigjarig ambtsjubileum zou behalen. Appellant heeft voorts niet onderbouwd dat aan de woorden “naar rato deel” in artikel 10 van de overeenkomst de door hem gestelde betekenis of bedoeling toekomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/968 AW, 17/971 AW, 17/973 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

14 december 2016, 15/5679 (aangevallen uitspraak 1), 15/7994 (aangevallen uitspraak 2), en 16/6844 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 22 februari 2018

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018. Namens appellant is verschenen zijn echtgenote [naam] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.M. Langemeijer en drs. R. Molle RA.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 7 mei 1975 in overheidsdienst, vanaf 1 oktober 2002 bij de gemeente Den Haag. In een overeenkomst van 31 oktober 2011 (de overeenkomst) zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen: ”Per 1 januari 2013 wordt aan Veen wegens zijn daartoe in te dienen verzoek wegens gebruikmaking van vervroegd deeltijd (keuze) pensioen ABP (AKP) ad. 50% eervol ontslag verleend voor eveneens 50 %. De aanstelling van Veen wordt vanaf die datum vastgesteld op 18 uur.” Voorts zijn partijen overeengekomen dat het dienstverband wordt voortgezet tot 1 mei 2015. Deze einddatum is later gewijzigd naar

15 mei 2015, zodat appellant zijn veertigjarig ambtsjubileum zou behalen. Ingevolge

artikel 10 van de overeenkomst hebben appellant en het college behoudens de uitvoering van de overeenkomst niets meer van elkaar te vorderen, "met uitzondering van het naar rato deel van de gratificatie wegens [appellants] veertig-jarig ambtsjubileum per 6 mei 2015 die wordt uitgekeerd volgens de huidige regelgeving.

1.2.

Bij besluit van 6 december 2012 heeft het college aan appellant met ingang van 1 januari 2013 eervol ontslag verleend voor de formele arbeidsduur van 18 uur per week.

1.3.

Bij brief van 26 januari 2015 heeft appellant het college, onder verwijzing naar de overeenkomst, verzocht om hem eervol ontslag te verlenen per 15 mei 2015. Daarbij heeft appellant verzocht om uitbetaling van het per 15 mei 2015 niet opgenomen vakantie- en compensatieverlof. Bij besluit van 3 maart 2015 is aan appellant eervol ontslag verleend met ingang van 15 mei 2015, met stopzetting van zijn bezoldiging per 1 mei 2015.

1.4.

Bij besluit van 23 maart 2015 heeft het college appellant het saldo aan uit te betalen vakantieverlofuren op 52,9 gesteld en bepaald dat hij geen recht heeft op uitbetaling van uren compensatieverlof. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.5.

Bij besluit van 7 mei 2015 heeft het college aan appellant een ambtsjubileumgratificatie ter hoogte van € 4.435,- toegekend in verband met zijn veertig-jarig ambtsjubileum op grond van artikel 3:5:1 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag (ARG) en

artikel 4:8 van de Beloningsregeling gemeente Den Haag (Beloningsregeling). Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.6.

Bij besluit van 19 juni 2015 (bestreden besluit 1) heeft het college het aantal uit te betalen vakantieverlofuren vastgesteld op 64,12 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

1.7.

Bij brief van 24 juni 2015 heeft het college aan appellant de keuze geboden tussen een afscheidsreceptie in klein gezelschap of een bedrag van € 800,- netto in verband met zijn

veertig-jarig ambtsjubileum en het afscheid van de gemeentedienst. Nadat appellant per

e-mail van 30 juli 2015 kenbaar had gemaakt blij te zijn met het aanbod van € 800,-, is dat bedrag aan hem overgemaakt. Tegen de brief van 24 juni 2015 heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.8.

Bij besluit van 23 september 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 mei 2015 ongegrond verklaard.

1.9.

Bij besluit van 13 mei 2016 heeft het college aan appellant te kennen gegeven een gecombineerde receptie te organiseren ten behoeve van het veertig-jarig ambtsjubileum en het afscheid van appellant, waarvoor een bedrag van € 1.700,- beschikbaar wordt gesteld. Voorts heeft het college het aan hem overgemaakte bedrag van € 800,- als onverschuldigd betaald teruggevorderd.

1.10.

Bij besluit van 21 juli 2016 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 mei 2016 ongegrond en het bezwaar tegen de brief van

24 juni 2015 niet-ontvankelijk verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de beroepen van appellant tegen bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ter zitting van de Raad zijn de hoger beroepen tegen aangevallen uitspraak 1

(17/968 AW) en 3 (17/973 AW) ingetrokken. Partijen zijn het volgende overeengekomen: het college zal aan appellant 143,32 vakantieverlofuren uitbetalen onder aftrek van de uren die reeds aan hem zijn uitgekeerd en aan hem een bedrag van € 800,- overmaken. Ter beoordeling resteert het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 betreffende de ambtsjubileumgratificatie.

3.2.1.

Ingevolge artikel 3:19, eerste en tweede lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst, voor zover thans van belang, ontvangt een ambtenaar éénmalig een jubileumtoelage zodra hij veertig jaar in overheidsdienst is. Bij veertig jaar overheidsdienst bedraagt de toelage het maandsalaris en de toegekende salaristoelage(n) over de maand van jubileren.

3.2.2.

Ingevolge artikel 3:1, tweede lid, aanhef en onder b, van de ARG wordt onder ‘salaris’ verstaan: het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, wordt onder ‘bezoldiging’ verstaan: het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen

- niet zijnde onkostenvergoedingen - als omschreven in de in het eerste lid bedoelde regeling, alsmede het bedrag van de functioneringstoelage en de waarnemingstoelage.

Ingevolge het zesde lid wordt het salaris berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per week, en uitgekeerd per maand.

3.2.3.

Op grond van artikel 3:5:1, eerste lid, van de ARG, voor zover van belang, ontvangt de ambtenaar die gedurende veertig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage over de maand waarin hij dit jubileum gedenkt.

3.2.4.

Artikel 4:8, eerste lid, van de Beloningsregeling, voor zover van belang, bepaalt dat een gratificatie kan worden toegekend overeenkomstig wat is geregeld in artikel 3:5:1 van de ARG.

3.3.

Appellant heeft betoogd dat het college bij de berekening van zijn ambtsjubileumgratificatie ten onrechte is uitgegaan van de bezoldiging behorende bij de

50%-deeltijdbetrekking die hij de laatste 2,5 jaar van zijn dienstverband vervulde, terwijl hij in de daaraan voorafgaande 37,5 jaar van zijn dienstbetrekking fulltime heeft gewerkt. In zijn visie moet de hoogte van de gratificatie - in overeenstemming met de overeenkomst - worden vastgesteld naar evenredigheid van het dienstverband, dus 37/40 van een volledig maandsalaris en 3/40 van het deeltijdsalaris.

3.4.

Dit betoog slaagt niet. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college

artikel 3:5:1, eerste lid, van de ARG op een juiste wijze heeft toegepast door bij de berekening van de ambtsjubileumgratificatie uit te gaan van het bedrag dat appellant bij het bereiken van zijn veertigjarig ambtsjubileum in mei 2015 op basis van zijn deeltijdaanstelling kreeg uitbetaald. Zoals namens het college ter zitting van de Raad naar voren is gebracht, is daarbij aan de belangen van appellant tegemoetgekomen door de einddatum van zijn dienstverband te wijzigen van 1 mei 2015 naar 15 mei 2015, zodat hij zijn veertigjarig ambtsjubileum zou behalen. Appellant heeft voorts niet onderbouwd dat aan de woorden “naar rato deel” in artikel 10 van de overeenkomst de door hem gestelde betekenis of bedoeling toekomt. Voor deze stelling is evenmin steun te vinden in de onder 3.2 genoemde regelgeving.

3.5.

Uit 3.2 tot en met 3.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat aangevallen uitspraak 2 zal worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

J.J.T. van den Corput en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2018.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) L.V. van Donk

HD