Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:526

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
16/1000 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging van de bovenwettelijke uitkering bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zonder enige vervangende voorziening voor levert een verboden onderscheid naar leeftijd op als bedoeld in de Wgbla. Tegemoetkoming AOW-hiaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/94
TAR 2018/73
AB 2018/267 met annotatie van J.C. de Wit, H. Jans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1000 AW, 16/1001 AW, 16/1002 AW, 16/1006 AW

Datum uitspraak: 22 februari 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van
24 december 2015, 15/2575, 15/3740, 15/2789 en 15/3816 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (appellant)

[betrokkene 1] te [woonplaats 1] en drie anderen zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende lijst (betrokkenen)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Arkel, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Namens betrokkenen 1 en 3 heeft mr. W.E. Louwerse een verweerschrift ingediend. Namens betrokkene 2 heeft mr. H.K. de Haan een verweerschrift ingediend. Namens betrokkene 4 heeft mr. G. Blonk een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend. Daarbij is per betrokkene een individueel inkomensoverzicht ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een aantal soortgelijke zaken, plaatsgevonden op 10 januari 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Arkel,

mr. D.R. Stolwijk en mr. M.A. Suwout. Betrokkenen 1 en 3 zijn niet verschenen en hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Louwerse en mr. H. Nummerdor-Buijs. Betrokkene 2 en mr. De Haan zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Betrokkene 4 is verschenen, bijgestaan door mr. Blonk. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkenen waren als burgerambtenaar werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Aan betrokkenen is in 2015 overtolligheidsontslag verleend met toepassing van artikel 116, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard) en het Sociaal Beleidskader Defensie 2012-2016 (SBK 2012). Bij besluiten van verschillende data in 2014 en 2015 heeft appellant aan betrokkenen op grond van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie (BWDEF) een bovenwettelijke uitkering toegekend en daarbij bepaald dat die eindigt op de eerste dag van de maand volgend op die waarin zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Bij besluiten van verschillende data in 2015 (bestreden besluiten) heeft appellant de hiertegen gemaakte bezwaren van betrokkenen ongegrond verklaard.

1.2.

Ingevolge de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, Stb. 2012, 328 (Wet VAP), en de Wet van 4 juni 2015, Stb. 2015, 218, wordt de pensioengerechtigde leeftijd bedoeld in de Algemene Ouderdomswet (AOW-leeftijd) vanaf 2013 in stappen verhoogd tot 67 jaar in 2021. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Dit heeft onder andere tot gevolg dat betrokkenen niet vanaf de 65-jarige leeftijd recht hebben op een AOW-uitkering, maar pas vanaf de voor hen geldende verhoogde AOW-leeftijd. Sinds
1 januari 2015 kent het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) het ouderdomspensioen vanaf deze verhoogde AOW-leeftijd toe.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten wegens verboden onderscheid op grond van leeftijd vernietigd voor zover die zien op de einddatum van de bovenwettelijke uitkering en zelf in de zaak voorzien door de primaire besluiten te herroepen voor zover die zien op de einddatum en te bepalen dat de duur van de aan betrokkenen toekomende bovenwettelijke uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

In artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF is bepaald dat de betrokkene die recht heeft op een WW-uitkering en die op de dag voor het intreden van zijn werkloosheid een aaneengesloten diensttijd heeft van ten minste 10 jaar en 50 jaar of ouder is, na het einde van de uitkeringsduur van de WW-uitkering recht heeft op een aansluitende uitkering tot de dag waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. In artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van het BWDEF, is bepaald dat de diensttijd van de betrokkene die onder toepassing van het Sociaal Beleidskader wordt ontslagen, in afwijking van onderdeel a niet aaneengesloten hoeft te zijn vervuld.

4.1.2.

Artikel 1 van het BWDEF bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder pensioengerechtigde leeftijd wordt verstaan de leeftijd als bedoeld in artikel 122 van het Bard.

4.1.3.

De leeftijd als bedoeld in artikel 122 van het Bard is de leeftijd van 65 jaar.

4.2.

Op 1 oktober 2015 is de ‘Voorlopige voorziening tegemoetkoming inkomensderving als gevolg van ophoging AOW-leeftijd’, Stcrt. 28 september 2015, nr. 31772, (Voorlopige voorziening), in werking getreden. De Voorlopige voorziening vormt de vastlegging van de tussen appellant en vakbonden gemaakte afspraken. In artikel 2 van de Voorlopige voorziening is bepaald dat een gewezen defensieambtenaar die de leeftijd van 65 jaar bereikt waardoor zijn uitkering eindigt, tot het bereiken van de voor hem geldende AOW-leeftijd aanspraak heeft op een maandelijkse tegemoetkoming, die gelijk is aan de bruto

AOW-uitkering (inclusief vakantiegeld), die voor hem volgens de AOW in de desbetreffende maand gegolden zou hebben indien daarop aanspraak zou hebben bestaan (tegemoetkoming).

4.3.

Bij uitspraken van 18 juli 2016 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:2615) heeft de Raad - voor zover hier van belang - geoordeeld dat de beëindiging van het wachtgeld op grond van artikel 17 van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Wbad) bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, onder gelijktijdige toekenning van de tegemoetkoming op grond van de Voorlopige voorziening, en gegeven de mogelijkheid het door het ABP toe te kennen ouderdomspensioen vervroegd te laten ingaan bij het bereiken van die leeftijd, verboden onderscheid oplevert als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbla). In die uitspraken is overwogen dat de doelstellingen die appellant aan het hanteren van een leeftijdsgrens van 65 jaar voor het ontvangen van wachtgeld (en dus aan het daardoor ontstane leeftijdsonderscheid) ten grondslag heeft gelegd, te weten het beschermen van alleen degenen die beschikbaar zijn voor arbeid en onvoldoende inkomensvoorzieningen hebben en een eerlijke verdeling van de beschikbare gelden, legitiem zijn. Geoordeeld is echter dat het middel dat appellant heeft gebruikt om deze doelstellingen te verwezenlijken een excessieve inbreuk maakt op de gerechtvaardigde aanspraak van de betrokken ambtenaren en daarmee verder gaat dan noodzakelijk is om de nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken.

4.4.

Bij uitspraak van 26 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1473) heeft de Raad geoordeeld dat de beëindiging van het wachtgeld op grond van artikel 17 van het Wbad bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, onder gelijktijdige toekenning van de tegemoetkoming AOW-hiaat, de compensatie en de aanvullende maatregel tot 90% van de gerechtvaardigde aanspraak, gegeven de mogelijkheid om het door het ABP toe te kennen ouderdomspensioen vervroegd te laten ingaan bij het bereiken van die leeftijd, geen strijd oplevert met de Wgbla. Daartoe heeft de Raad - voor zover hier van belang - overwogen dat dit middel niet kennelijk ongeschikt is om de legitieme doelstellingen te bereiken. Verder heeft de Raad in het kader van de noodzakelijkheid van het middel overwogen dat appellant voor de gerechtvaardigde aanspraak mocht uitgaan van het bruto maandinkomen vanaf de 65-jarige leeftijd, bestaande uit het opgebouwde ABP-pensioen en de AOW-uitkering, verminderd met de loonheffing en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Uit de individuele inkomensoverzichten van de betrokken ambtenaren blijkt dat voor de periode vanaf het bereiken vanaf de leeftijd van 65 jaar tot aan de AOW-leeftijd de hiervoor beschreven regeling een aanzienlijke stijging in bruto-inkomen tot gevolg heeft in vergelijking met de situatie dat de AOW-leeftijd nog steeds 65 jaar zou zijn geweest. Het netto inkomen is in die periode als gevolg van fiscale redenen weliswaar lager in vergelijking met de situatie dat de AOW-leeftijd nog steeds 65 jaar zou zijn geweest, maar dat verschil is beperkt. Hierbij is van belang dat appellant heeft gegarandeerd dat de betrokken ambtenaren vanaf hun 65ste jaar tot aan hun AOW-leeftijd in ieder geval 90% van hun gerechtvaardigde aanspraak ontvangen. Voor de periode vanaf de AOW-leeftijd worden de betrokken ambtenaren geconfronteerd met een netto inkomensverlies van slechts één tot enkele procenten ten opzichte van hun gerechtvaardigde aanspraak. Het middel, bezien naar het resultaat ervan, maakt daarom geen excessieve inbreuk op de gerechtvaardigde aanspraak van de betrokken ambtenaren en gaat aldus niet verder dan noodzakelijk is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken. Daarom is naar het oordeel van de Raad sprake van een objectieve rechtvaardiging voor het uit

artikel 17 van het Wbad voortvloeiende onderscheid naar leeftijd.

4.5.1.

Appellant betwist niet langer dat de beëindiging van de bovenwettelijke uitkering bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zonder enige vervangende voorziening voor betrokkenen een verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wgbla. Volgens appellant heeft de rechtbank echter ten onrechte zelf in de zaak voorzien door de primaire besluiten te herroepen voor zover die zien op de einddatum en te bepalen dat de duur van de aan betrokkenen toekomende bovenwettelijke uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW. Appellant verzet zich in dit verband ook tegen het oordeel van de rechtbank dat artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF buiten toepassing dient te blijven, voor zover die bepaling verwijst naar een pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar.

4.5.2.

Betrokkenen betogen dat de uitkering na het bereiken van de 65-jarige leeftijd dient door te lopen tot aan de voor hen geldende verhoogde AOW-leeftijd. Zij hebben hiertoe in het bijzonder gewezen op de toelichting bij de wijziging van het BWDEF (Stb. 2012, 596) waarbij in het huidige artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, de “leeftijd van 65 jaar” is vervangen door “pensioengerechtigde leeftijd”. Uit de toelichting blijkt onder meer dat de einddatum van de bovenwettelijke uitkering in overeenstemming is gebracht met de einddatum van de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), verwoord in

artikel 19, eerste lid, onder h, van de WW. Verder is in de definitiebepaling van artikel 1 van het BWDEF voor de uitleg van het begrip “pensioengerechtigde leeftijd” gekozen voor een algemene verwijzing en niet voor een vaste leeftijd, omdat aannemelijk is “dat de pensioenleeftijd van 65 (jaar) de komende tijd zal wijzigen.” Volgens betrokkenen blijkt uit de toelichting dat het steeds de bedoeling van de wetgever is geweest om de einddatum van de bovenwettelijke uitkering te laten aansluiten op de AOW-leeftijd.

4.5.3.

Het betoog van betrokkenen slaagt niet. De definitiebepaling van artikel 1 van het BWDEF verwijst voor de betekenis van het begrip pensioengerechtigde leeftijd naar de in artikel 122 van het Bard genoemde leeftijd. Voor de einddatum van de uitkering bedoeld in artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF is dus uitdrukkelijk aangesloten bij de in artikel 122 van het Bard genoemde leeftijd van 65 jaar en niet bij de - verhoogde -

AOW-leeftijd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 mei 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6805) moeten wettelijke bepalingen met inachtneming van de wettelijke context waarbinnen zij functioneren en in het licht van hun onderwerp en doel, primair grammaticaal - overeenkomstig de normale betekenis van de termen van de wet - worden uitgelegd; de bedoeling die de wetgever heeft gehad met een wettelijke bepaling, zoals die valt af te leiden uit de gedrukte stukken met betrekking tot het wetsontwerp, kan bij de uitleg van die bepaling uitsluitend een meer dan aanvullende betekenis hebben, indien de tekst van de wet niet helder is of een louter grammaticale lezing de betreffende bepaling berooft van elke of vrijwel elke zin. Nu de tekst van artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF, in samenhang met artikel 1 van het BWDEF, helder is - en de pensioengerechtigde leeftijd aldus uitdrukkelijk gekoppeld is aan de leeftijd bedoeld in artikel 122 van het Bard en artikel 122 van het Bard ter zake niet is gewijzigd - bestaat geen aanleiding om aan de toelichting bij de wijziging van het BWDEF de betekenis toe te kennen die betrokkenen daaraan toegekend wensen te zien.

4.5.4.

De beroepsgrond van appellant dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door de primaire besluiten te herroepen voor zover die zien op de einddatum en te bepalen dat de duur van de aan betrokkenen toekomende bovenwettelijke uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW, slaagt wel. Appellant heeft vanwege de aard van de materie een zekere mate van vrijheid in de totstandbrenging van nieuwe besluitvorming. Het was dan ook aan appellant om het geconstateerde gebrek - het verboden onderscheid naar leeftijd - op een rechtens houdbare wijze te herstellen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat dit niet mogelijk is zonder artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF (deels) buiten toepassing te laten, is dat oordeel onjuist.

4.6.

Gelet op wat in 4.5.1 tot en met 4.5.4 is overwogen, slagen de hoger beroepen van appellant. De aangevallen uitspraken komen voor vernietiging in aanmerking voor zover de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien door de primaire besluiten te herroepen voor zover die zien op de einddatum en te bepalen dat de duur van de aan betrokkenen toekomende bovenwettelijke uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW. De aangevallen uitspraken worden voor het overige bevestigd.

4.7.

Inmiddels is duidelijk op welke wijze appellant het geconstateerde gebrek wil herstellen. De Raad zal de rechtmatigheid van de door appellant voorgestane regeling beoordelen en uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting en efficiency bezien of hij zelf in de zaak kan voorzien.

4.7.1.

Appellant heeft te kennen gegeven dat hij, indien nieuwe besluiten op bezwaar worden genomen, in aanvulling op de primaire besluiten en met handhaving van de in die besluiten genoemde einddatum van de bovenwettelijke uitkering, nadere voorzieningen (de regeling) aan betrokkenen zal toekennen die vergelijkbaar zullen zijn met de regeling die door de Raad is getoetst in de uitspraak van 26 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1473). Aan betrokkenen wordt een hogere tegemoetkoming toegekend dan die voortvloeit uit de Voorlopige voorziening. Gedurende de periode vanaf de beëindiging van de bovenwettelijke uitkering tot aan het bereiken van de AOW-leeftijd wordt aan betrokkenen een maandelijkse bruto uitkering betaald die een netto uitkering oplevert die even hoog is als de netto

AOW-uitkering, inclusief vakantiegeld (tegemoetkoming AOW-hiaat). Daarnaast wordt aan betrokkenen voor diezelfde periode een (bruto) compensatie toegekend in verband met het feit dat betrokkenen mogelijk hun ouderdomspensioen vervroegd laten ingaan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar (compensatie). Indien in deze periode het totaalbedrag van de tegemoetkoming AOW-hiaat en de compensatie, vermeerderd met het ouderdomspensioen, netto minder bedraagt dan 90% van de gerechtvaardigde aanspraak van betrokkenen, dan wordt dit bedrag bruto zodanig aangevuld dat deze in ieder geval gelijk is aan 90% van de gerechtvaardigde aanspraak van betrokkenen (aanvullende maatregel).

4.7.2.

Om inzicht te bieden in de concrete betalingen die op grond van de regeling, uitgaande van ongewijzigde omstandigheden, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd aan betrokkenen zullen worden gedaan, heeft appellant, met gebruikmaking van de gegevens van het ABP, per betrokkene individuele inkomensoverzichten laten opstellen en ingezonden voor de volgende drie situaties:

- de oude situatie dat de AOW-leeftijd niet zou zijn verhoogd en waarbij betrokkenen vanaf 65 jaar een AOW-uitkering naast ouderdomspensioen zouden ontvangen;

-de situatie waarin de aanvullende maatregel tot 90% is toegepast en waarbij betrokkenen het ouderdomspensioen niet vervroegd laten ingaan;

- de situatie waarin de aanvullende maatregel tot 90% is toegepast en waarbij betrokkenen het ouderdomspensioen wel vervroegd laten ingaan.

4.7.3.

Met de regeling is getracht een oplossing te vinden voor het gegeven dat als gevolg van de ophoging van de AOW-leeftijd ingevolge de Wet VAP, de AOW- en pensioenaanspraken van betrokkenen niet meer aansluiten op hun bovenwettelijke uitkering op grond van het BWDEF, waardoor zij inkomensverlies lijden. De Raad zal de regeling dan ook in dat licht bezien.

4.7.4.

Betrokkenen hebben zich op het standpunt gesteld dat de nieuw te nemen besluiten nog steeds een verboden onderscheid naar leeftijd zullen opleveren. Hiertoe hebben zij erop gewezen dat de compensatie voor het vervroegd laten ingaan van het pensioen wordt meegenomen als inkomsten bij de berekening van de hoogte van de aanvullende maatregel tot 90% van de gerechtvaardigde aanspraak. Dit bedrag hebben zij direct nodig om het verlies aan inkomsten op te vangen en kan de facto niet worden gereserveerd om de daadwerkelijke pensioenschade op te vangen. Zij stellen zich op het standpunt dat appellant hen dan ook in redelijkheid niet kan verplichten om gebruik te maken van de mogelijkheid om het ouderdomspensioen vervroegd te laten ingaan. Zij menen hiervoor steun te vinden in onder andere het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 26 september 2013, C-546/11, Dansk Jurist- og Økonomforbund. De Raad ziet echter geen aanleiding om in het kader van de beëindiging van de bovenwettelijke uitkering op grond van artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF, anders te oordelen over de regeling dan is gedaan in de uitspraak van de Raad 26 april 2017. In die uitspraak heeft de Raad al geoordeeld

(zie 2.2.9) dat met het onderhavige middel (de regeling) een andere situatie aan de orde is dan in de uitspraken van de Raad van 18 juli 2016 en dat daarmee, ook in het licht van de rechtspraak van het Hof, geen excessieve inbreuk (meer) wordt gemaakt op de gerechtvaardigde aanspraak van de betrokken ambtenaren. Nu ook in het geval van betrokkenen uit de inkomensoverzichten volgt dat het vervroegd in laten gaan van het ouderdomspensioen slechts een gering verlies aan inkomsten oplevert ten opzichte van de gerechtvaardigde aanspraak, kan niet met recht worden gesteld dat appellant niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten het vervroegd laten ingaan van het ouderdomspensioen onderdeel te laten zijn van het middel. Hierbij komt dat het naar voren halen van het ouderdomspensioen niet verplicht is en de compensatie ook wordt verleend als betrokkenen beslissen het ouderdomspensioen niet vervroegd te laten ingaan. De op zich terechte constatering van betrokkenen dat appellant deze compensatie meeneemt als inkomsten bij de berekening van de hoogte van de aanvullende maatregel tot 90% van de gerechtvaardigde aanspraak, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij is van belang dat de Raad, zoals ook reeds in de uitspraken van 18 juli 2016 is gedaan, de regeling uitdrukkelijk heeft bezien naar het uiteindelijke resultaat ervan en op basis daarvan oordeelt dat van een excessieve inbreuk geen sprake (meer) is. De Raad is van oordeel dat met inachtneming van de rechtspraak van het Hof redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de beantwoording van de in geschil zijnde rechtsvragen en heeft ook in het betoog van betrokkenen geen aanleiding gezien voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof. Het verzoek van betrokkenen daartoe wordt dan ook afgewezen.

4.7.5.

Verder zullen de nieuw te nemen besluiten volgens betrokkenen leiden tot direct en derhalve verboden onderscheid naar burgerlijke staat bij de arbeidsvoorwaarden als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb), omdat appellant voor de hoogte van de tegemoetkoming AOW-hiaat aansluiting heeft gezocht bij de systematiek van de AOW, dus 70% van het minimumloon voor een ongehuwde (of daarmee gelijkgestelde) en 50% van het minimumloon voor een gehuwde (of daarmee gelijkgestelde). Hierin kan de Raad betrokkenen niet volgen. Voor zover al moet worden aangenomen dat de tegemoetkoming AOW-hiaat is aan te merken als een arbeidsvoorwaarde, verwijst de Raad naar wat is geoordeeld in de uitspraak van 26 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1473). Daarin heeft de Raad tot uitdrukking gebracht dat dit verschil in behandeling veeleer berust op een onderscheid naar woon- of leefsituatie van samenwonenden en alleenstaanden. Dit is een ander criterium dan de burgerlijke staat en leidt dus niet tot een direct onderscheid naar burgerlijke staat (zie ook Kamerstukken II 1991/92, 22 014, nr. 5, p. 68).

4.7.6.

Ten slotte hebben betrokkenen, onder verwijzing naar de Awgb en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR), betoogd dat appellant met de nieuw te nemen besluiten in strijd zal handelen met het algemene rechtsbeginsel dat gelijke arbeid in gelijke omstandigheden op gelijke wijze moet worden beloond, omdat de hoogte van de tegemoetkoming AOW-hiaat uitsluitend wordt bepaald door de burgerlijke staat van betrokkenen. Dit betoog slaagt niet. Voor zover de tegemoetkoming AOW-hiaat al moet worden aangemerkt als een beloning voor arbeid en toetsing aan het IVESCR al aan de orde kan zijn, volgt reeds uit 4.7.5 dat van een verboden onderscheid naar burgerlijke staat geen sprake is.

4.8.

Gelet op wat in 4.7.1 tot en met 4.7.6 is overwogen zal de Raad zelf in de zaak voorzien door aan betrokkenen, in aanvulling op de primaire besluiten, de nadere voorzieningen toe te kennen als onder 4.7.1 vermeld.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraken voor zover de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien

door te bepalen dat de bovenwettelijke uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de

pensioengerechtigde leeftijd bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW;

- bevestigt de aangevallen uitspraken voor het overige;

- kent aan betrokkenen, in aanvulling op de primaire besluiten, de nadere voorzieningen toe
als onder 4.7.1 vermeld en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde

gedeelte van de bestreden besluiten.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en B.J. van de Griend en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2018.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.A. de Graaff

HD

LIJST VAN BETROKKENEN

Betrokkene Woonplaats Kenmerk

1) [betrokkene 1] [woonplaats 1] 16/1000 AW

2) [betrokkene 2] [woonplaats 2] 16/1001 AW

3) [betrokkene 3] [woonplaats 3] 16/1002 AW

4) [betrokkene 4] [woonplaats 4] 16/1006 AW