Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:516

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
17-2314 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De aan besluit van 26 juni 2015 ten grondslag gelegde gedragingen aangaande urenverwerking in [systeem] zijn, zeker voor een politiefunctionaris, volstrekt ontoelaatbaar en te kwalificeren als plichtsverzuim. Ook indien het minder uren zijn geweest dan korpschef heeft berekend. Toerekenbaar. De opgelegde disciplinaire maatregel is, gezien de ernst en de aard van de gedragingen en de voor politieambtenaren geldende strenge eisen van integriteit, betrouwbaarheid en besef van verantwoordelijkheid, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/2314 AW, 17/4319 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

15 februari 2017, 16/1044 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

Datum uitspraak: 22 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.J.W.M. Vonken, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens de korpschef heeft mr. M.P.W. Steuten, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft zijn zienswijze over het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vonken. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Steuten en R.J.C. Bours.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 september 1976 werkzaam bij de politie, eenheid [eenheid] , laatstelijk als [functie 1] bij (formeel) District [district] . Vanaf 21 februari 2013 was appellant gedetacheerd als [functie 2] bij de [dienst]

( [dienst] ) te [vestigingsplaats 1].

1.2.

Bij besluit van 25 augustus 2014 is appellant met ingang van [geboortedag] 2014, de datum waarop hij de 55-jarige leeftijd bereikte, in aanmerking gebracht voor de seniorenregeling. Als gevolg hiervan kreeg appellant maandelijks een bedrag van € 190,79 extra bij zijn salaris uitgekeerd. Als grondslag voor dit bedrag werd de gemiddelde onregelmatigheidstoelage in het jaar voorafgaand aan het bereiken van de 55-jarige leeftijd gehanteerd. Appellant had in dit kader toestemming van zijn leidinggevenden om in dat jaar om de week in het weekend te werken om zoveel mogelijk onregelmatigheidstoeslag op te bouwen. Hieraan lag mede ten grondslag dat appellant dan in alle rust zijn werkzaamheden als [functie 2] kon verrichten.

1.3.

Nadat S, projectleider bij de [dienst] , had geconstateerd dat appellant veel vakantie- en meeruren op het jaarwerkplan had staan, is een onderzoek gestart naar de registratie van de diensttijd van appellant. Van dit onderzoek is op 3 maart 2015 een stamproces-verbaal opgemaakt.

1.4.

Nadat de korpschef het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de korpschef bij besluit van 26 juni 2015 met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, in verbinding met artikel 82 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), aan appellant met ingang van 3 juli 2015 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Hieraan liggen de volgende aan appellant verweten gedragingen ten grondslag:

  1. het in de periode van 27 oktober 2013 tot en met 20 juli 2014 in het systeem [systeem] als gewerkt verantwoorden van een aanzienlijk aantal uren gedurende welke appellant niet daadwerkelijk heeft gewerkt;

  2. het in de periode van 12 juli 2014 tot en met 17 augustus 2014 in het systeem [systeem] als gewerkt verantwoorden van een aanzienlijk aantal uren op zaterdagen, zondagen of feestdagen, terwijl deze uren in werkelijkheid zijn verricht op doordeweekse dagen, waardoor over deze uren ten onrechte onregelmatigheidstoeslag is uitbetaald;

  3. het in het systeem [systeem] als gewerkt verantwoorden van een aanzienlijk groter aantal weekenden dan op basis van de gemaakte afspraken was toegestaan;

  4. het geen melding maken van het feit dat hij sinds februari 2013 gebruik maakte van een dienstauto voor woon-werkverkeer, waardoor de vaste vergoeding woon-werkverkeer ten onrechte niet beëindigd is.

1.5.

Bij besluit van 24 februari 2016 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de onder a tot en met c genoemde gedragingen kunnen worden beschouwd als ernstig plichtsverzuim dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt.

3. Bij vonnis van 10 maart 2017 heeft de strafrechter van de rechtbank [vestigingsplaats 2] bewezen verklaard dat appellant in de periode van 4 januari 2014 tot en met 17 augustus 2014 meermalen valsheid in geschrifte heeft gepleegd. De rechtbank heeft geconcludeerd dat appellant op grond van het bewezenverklaarde strafbaar is, maar dat aan hem geen straf wordt opgelegd, omdat dit geen redelijk doel dient naast de aan hem door de korpschef opgelegde disciplinaire straf.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gemotiveerd betoogd dat de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag, gelet op de relevante feiten en omstandigheden, niet evenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim.

4.2.

De korpschef heeft in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld, ook het zonder signaal daarover laten doorlopen van de vaste vergoeding woon-werkverkeer aangemerkt dient te worden als plichtsverzuim dat aan appellant kan worden toegerekend, zodat daarop disciplinair gereageerd kon worden.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

5.2.1.

Appellant heeft de onder a tot en met c weergegeven gedragingen niet ontkend - ter zitting is van zijn kant verklaard dat de registratie niet overeenkomstig de werkelijkheid was -, maar heeft aangevoerd dat hij altijd volledig open is geweest, dat de registratie van weekendwerk als doordeweeks gewerkte uren conform de afspraak was en dat hij minder uren onjuist heeft geregistreerd dan de korpschef heeft gesteld, onder meer omdat hij wekelijks een aantal uren thuis zou hebben gewerkt.

5.2.2.

Niet aannemelijk is de stelling van appellant dat hij altijd volledig open is geweest over het feit dat hij regelmatig zondagochtend-uren als gewerkt registreerde in het systeem [systeem] , terwijl hij op dat moment aan het fietsen was met zijn zoon. De leidinggevende van appellant, B, heeft ten stelligste ontkend hiervan op de hoogte te zijn geweest en appellant heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat B wel op de hoogte was.

5.2.3.

Niet is gebleken dat appellant toestemming heeft gekregen van zijn leidinggevenden B en S voor het verantwoorden van doordeweeks gewerkte uren als in het weekend gewerkte uren. Appellant heeft verklaard dat hij op doordeweekse dagen op verzoek van B en S hun taken tijdens hun vakantie waarnam en dat hij heeft begrepen dat hij deze uren mocht verantwoorden als in het weekend gewerkte uren. In het dossier is geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de juistheid van de stelling dat B en S hiervoor toestemming hebben gegeven. Uit de verklaringen van B en S van 7 januari 2015 blijkt juist dat zij deze toestemming niet hebben gegeven.

5.2.4.

Ook indien appellant zou moeten worden gevolgd in zijn stelling dat het om minder uren ging dan de korpschef heeft berekend, is de Raad van oordeel dat de onder a tot en met c weergegeven gedragingen, zeker voor een politiefunctionaris, volstrekt ontoelaatbaar zijn en dat deze zijn te kwalificeren als plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim kan appellant worden toegerekend. De korpschef was dan ook bevoegd appellant een disciplinaire maatregel op te leggen. Voor deze bevoegdheid is niet van belang of is voldaan aan het voor (civielrechtelijk) ontslag op staande voet geldende vereiste van subjectieve dringendheid.

5.3.

De opgelegde disciplinaire maatregel is, gezien de ernst en de aard van de gedragingen en de voor politieambtenaren geldende strenge eisen van integriteit, betrouwbaarheid en besef van verantwoordelijkheid niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Appellant heeft, door het veelvuldig over een lange periode onjuist, in strijd met de werkelijkheid registreren van gewerkte uren, het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate geschonden en aldus aan het eigen aanzien en aan dat van de dienst grote schade toegebracht. Dat appellant de dienst niet heeft willen benadelen is niet aannemelijk, nu volstrekt helder is dat de dienst wordt benadeeld indien appellant meer onregelmatigheidstoeslag en een hoger bedrag op basis van de seniorenregeling ontvangt dan hem op grond van zijn daadwerkelijk gewerkte uren toekomt. Zelfs als sprake zou zijn van een zekere cultuur binnen de politie waarbij wel vaker dingen niet volgens de regels gebeurden, kan dit het handelen van appellant niet verontschuldigen. Ook een gebrek aan adequate controle op de correcte naleving van voorschriften door de korpschef doet niet af aan de ernst van het geconstateerde plichtsverzuim. Appellant blijft immers verantwoordelijk voor zijn eigen handelen. Dat appellant een lange staat van dienst heeft, goed heeft gefunctioneerd, goed is beoordeeld en de financiële gevolgen van het ontslag ingrijpend zijn, maakt niet dat de opgelegde disciplinaire maatregel onevenredig is.

5.4.

Uit 5.2.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.5.

Nu de korpschef ter zitting heeft bevestigd dat het incidenteel hoger beroep als voorwaardelijk ingesteld dient te worden opgevat, kan gelet op het in 5.4 gegeven oordeel bespreking van het incidenteel beroep achterwege blijven.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2018.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) J. Smolders

HD