Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:515

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
16-5930 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht uitgangspunt voor minister bij de toepassing van de garantieregeling overeenkomstig de indertijd geldende Regeling, dat voor FLO-garantie-uitkering het maximaal beschikbare bedrag aan prepensioengelden zou worden ingezet. Deze inzet van gelden heeft ook niet geleid tot een lager ouderdomspensioen voor appellant. Geen grond voor oordeel dat minister de gegeven garantie niet is nagekomen. Intimiderend ervaren bejegening door medewerkers van minister met klem weersproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5930 AW

Datum uitspraak: 22 februari 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

1 augustus 2016, 16/2123 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Vis hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend, desgevraagd vragen van de Raad beantwoord en nadere stukken ingediend. Vervolgens heeft mr. Vis namens appellant een reactie met nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. K. ten Broek. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Schouten en mr. J. van der Zalm.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1952, was in dienst bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties . Hij was eerst werkzaam bij de toenmalige [Dienst 1] en vervolgens bij de [Dienst 2] .

1.2.

Bij brief van 24 december 1999 heeft de minister aan appellant de garantie gegeven dat hij op 60-jarige leeftijd de dienst kan verlaten in een financiële positie die materieel gelijk is aan de positie die hij zou hebben op basis van de op dat moment geldende regelingen over functioneel leeftijdsontslag (FLO). Voor appellant houdt deze FLO-garantie in dat hij vanaf 60-jarige leeftijd de dienst kan verlaten, dan gedurende 60 maanden een uitkering ontvangt van 83% van zijn bezoldiging en gedurende die uitkeringsperiode voor 50% pensioen opbouwt.

1.3.

Tot 1 januari 2010 was het ABP belast met de uitvoering van de FLO-garantieregeling. Als gevolg van gewijzigde wet- en regelgeving heeft de minister vanaf 1 januari 2010 de regeling uitgevoerd met inachtneming van de actuele fiscale en pensioenregelgeving.

1.4.

Op 26 januari 2012 heeft appellant een aanvraag ingediend om met ingang van 1 juni 2012, de eerste van de maand nadat hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, in aanmerking te komen voor FLO-garantieverlof en de FLO-garantie-uitkering. Hierop is aan appellant met ingang van 1 juni 2012 buitengewoon verlof verleend. Vanaf deze datum heeft hij een

FLO-garantie-uitkering ontvangen. Het ABP heeft vervolgens berekend dat appellant op

1 maart 2016 voldoende zogenoemde vroegpensioengelden heeft opgebouwd om tot de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt daarmee een uitkering te financieren waarvan de hoogte gelijk is aan de FLO-uitkering.

1.5.

Bij besluit van 27 augustus 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 februari 2016 (bestreden besluit) heeft de minister appellant op zijn verzoek met ingang van 1 maart 2016 eervol ontslag verleend op grond van artikel 94, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Omdat de fiscale begrenzing die het maximale bedrag bepaalt dat tot de leeftijd van 65 jaar daadwerkelijk uit het keuzepensioen kan worden ontvangen lager is dan de hoogte van de FLO-garantie-uitkering, is hem daarbij over de periode van 1 maart 2016 tot 1 juni 2017 een suppletie van € 7.032,49 bruto toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Appellant keert zich tegen de wijze waarop de minister vanaf 1 maart 2016 uitvoering heeft gegeven aan de FLO-garantieregeling. De datum zelf staat daarbij niet ter discussie.

3.2.

Uit de gegeven garantie volgt dat het verlaten van de dienst op 60-jarige leeftijd voor appellant niet mag leiden tot een slechtere financiële positie dan wanneer hij dat had kunnen doen onder de daarvoor tot 1 januari 2000 geldende regels. De Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag (Regeling) gaf appellant indertijd na zijn ontslag op 60-jarige leeftijd recht op een uitkering gedurende 60 maanden van 80-85% van zijn bezoldiging. Op grond van artikel 4a van de Regeling werd de uitkering verminderd met het bedrag van het flexibel pensioen krachtens het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds Abp, het bedrag van de basisuitkering krachtens het Reglement FPU en het bedrag van de aanvullende uitkering krachtens het Reglement FPU. Deze bepaling liet geen ruimte om de beschikbare prepensioengelden (de Raad gebruikt de term ‘prepensioen’ voor de diverse termen voor uitkeringen voorafgaand aan de pensioenuitkering vanaf de AOW-leeftijd) niet of slechts deels te gebruiken voor de bedoelde uitkering. Hieruit volgt dat de minister bij de toepassing van de garantieregeling overeenkomstig de indertijd geldende Regeling terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat voor de FLO-garantie-uitkering het maximaal beschikbare bedrag aan prepensioengelden zou worden ingezet. Het betoog van appellant dat de minister louter uit zuinigheidsoverwegingen heeft gekozen voor de inzet van het maximale bedrag - de minister behoefde dan minder bij te leggen - gaat dus niet op. Met het bieden van een suppletie ter hoogte van het verschil tussen dit maximale bedrag en 83% van de bezoldiging van appellant heeft de minister de gegeven garantie dus niet geschonden. Evenmin behoefde de minister appellant op grond van de gegeven garantie de mogelijkheid te bieden om aanspraak te maken op een hogere suppletie in het geval appellant niet alle beschikbare prepensioengelden wenste in te zetten.

3.3.

Het is daarbij niet zo dat de inzet van het maximaal beschikbare bedrag aan prepensioengelden heeft geleid tot een lager ouderdomspensioen voor appellant. De minister heeft toegelicht - en appellant heeft niet weersproken - dat indertijd de beschikbare bedragen voor prepensioen en ouderdomspensioen waren gescheiden. Inzet van de beschikbare prepensioengelden voor de FLO-uitkering leidde derhalve niet tot een verlaging van de beschikbare ouderdomspensioengelden. Tegelijk was het zo dat prepensioengelden niet konden worden overgeheveld naar het ouderdomspensioen om het daarvoor beschikbare bedrag te verhogen. In 2016 kon dat wel en was er een samengevoegd bedrag beschikbaar voor prepensioen en ouderdomspensioen. Het bewaren van prepensioengelden leidt dan tot een hoger bedrag voor ouderdomspensioen, terwijl de inzet van prepensioengelden leidt tot een lager bedrag voor ouderdomspensioen.

3.4.

De minister heeft in hoger beroep alsnog een door het ABP opgestelde berekening kunnen overleggen van de hoogte van het ouderdomspensioen van appellant volgens de Regeling in vergelijking met de hoogte van dat pensioen volgens de uitvoering van de minister sedert 1 januari 2010. Uit deze vergelijking blijkt dat appellant volgens de uitvoering van de minister een hoger ouderdomspensioen ontvangt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat - uitgaande van een juiste toepassing van de Regeling in het kader van de gegeven garantie - die berekening en de conclusie uit de vergelijking onjuist zijn. Ook in dit opzicht is er geen grond om te oordelen dat de minister de gegeven garantie niet is nagekomen.

3.5.

Appellant heeft zich verder beklaagd over de door hem als intimiderend ervaren bejegening door medewerkers van de minister tijdens een gesprek op 15 juni 2015 en over het gebruik van zijn persoonlijke pensioengegevens door deze medewerkers. Eén van de bedoelde medewerkers heeft die bejegening ter zitting van de Raad met klem weersproken. Appellant heeft de aanvankelijk hierover bij de minister ingediende klacht overigens niet gehandhaafd. Nu de keuze voor de inzet van het maximaal beschikbare bedrag aan prepensioengelden door de minister niet is ingegeven door de kennisname van de pensioengegevens van appellant maar, zoals in 3.2 overwogen, door de Regeling, kan wat appellant over de verkrijging van deze gegevens heeft aangevoerd niet leiden tot een andere conclusie over het bestreden besluit.

3.6.

Uit 3.1 tot en met 3.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.N.A. Bootsma en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2018.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J. Smolders

HD