Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:51

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2018
Datum publicatie
10-01-2018
Zaaknummer
16/243 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet. Ten onrechte ziek gemeld. Weigering WW-uitkering toe te kennen. Verwijtbaar werkloos. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Feiten of omstandigheden voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de WW zijn niet gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2018-0007
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/243 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2015, 15/6151 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y. Ersoy, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. I. Atar, kantoorgenote van mr. Ersoy. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf 20 januari 2014 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd fulltime als kok werkzaam bij [BV] .

1.2.

Bij brief van 24 april 2015 heeft [naam 1] , directeur van [BV] , appellant op staande voet ontslagen. In die brief heeft [naam 1] het volgende vermeld. Appellant heeft zich op 19 april 2015 ziek gemeld. [naam 1] heeft appellant op 20 april 2015 gebeld en toen van appellant te horen gekregen dat hij last had van zijn benen, dat de huisarts bloed had afgenomen en dat de laboratoriumuitslagen 22 april 2015 bekend zouden worden. Appellant zou [naam 1] uiterlijk 23 april 2015 op de hoogte stellen van de resultaten. Toen appellant

24 april 2015 nog niet had gebeld heeft [naam 1] hem op die dag kort na 19.00 uur zelf gebeld. Appellant heeft toen gezegd dat hij aan het werk was bij [naam bedrijf] . De directe leidinggevende van appellant, [naam 2] heeft dezelfde avond met [naam bedrijf] gebeld en de bevestiging gekregen dat appellant daar die avond in de keuken had gewerkt. Appellant heeft zich dus blijkbaar ten onrechte ziek gemeld.

1.3.

Appellant heeft het ontslag op staande voet aangevochten bij de kantonrechter. Op

15 september 2015 zijn appellant en [BV] tot een schikking gekomen. Onder intrekking van het ontslag op staande voet door [BV] zijn zij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 30 juni 2015 overeengekomen.

1.4.

Op 23 juni 2015 heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.

1.5.

Bij besluit van 3 juli 2015 heeft het Uwv de door appellant aangevraagde WW-uitkering blijvend geheel geweigerd in verband met verwijtbare werkloosheid.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 14 september 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het Uwv heeft in het bestreden besluit verwezen naar de ontslagbrief van 24 april 2015. Voorts heeft het Uwv gewezen op de polisadministratie (Suwinet), waaruit blijkt dat bij [naam bedrijf] sprake is geweest van een regelmatig arbeidspatroon. [naam bedrijf] heeft per maand vier dagen en 32 verloonde uren verantwoord, ook in de periode waarin 24 april 2015 viel. Appellant is volgens de polisadministratie op 1 augustus 2014 in dienst getreden van [naam bedrijf] .

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, voor zover hier van belang, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter is hierbij uitgegaan van de gang van zaken als beschreven in de ontslagbrief van 24 april 2015. De stelling van appellant dat hij op 24 april 2015 niet bij [naam bedrijf] heeft gewerkt en de ter onderbouwing daarvan door appellant overgelegde verklaring van de eigenaar van [naam bedrijf] en een werkrooster van [naam bedrijf] heeft de voorzieningenrechter onvoldoende geacht om de beschrijving in de ontslagbrief te ontkrachten.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte aan de schikking met [BV] is voorbijgegaan. Volgens hem was geen sprake van een dringende reden voor ontslag. Hij heeft zich volgens de regels ziek gemeld, was ook daadwerkelijk ziek en heeft tijdens zijn ziekte niet bij [naam bedrijf] gewerkt. Voorts is hij onredelijk getroffen door het bestreden besluit nu hij maanden geen, althans weinig, inkomsten heeft gehad en geld heeft moeten lenen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Of sprake is van zo’n dringende reden moet worden beoordeeld volgens de maatstaven van het arbeidsovereenkomstenrecht (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8713). Als de werknemer de verplichting om werkloosheid te voorkomen niet is nagekomen, brengt het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW blijvend een bedrag op de uitkering in mindering dat op grond van het elfde lid overeenkomt met de volledige uitkering, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2.

Zoals de voorzieningenrechter in de aangevallen uitspraak met juistheid heeft overwogen, moet volgens vaste rechtspraak van de Raad voor de beantwoording van de vraag of aan de werkloosheid een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt worden beoordeeld of de reden die de werkgever aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd is aan te merken als een objectief dringende reden en of deze in de gegeven situatie ook subjectief een dringende reden vormde.

4.3.

Eveneens met juistheid heeft de voorzieningenrechter overwogen dat voor het oordeel of aan de werkloosheid al dan niet een dringende reden ten grondslag ligt niet bepalend is op welke wijze het dienstverband is geëindigd. Er dient een materiële beoordeling plaats te vinden.

4.4.

Met de voorzieningenrechter wordt ervan uitgegaan dat de gang van zaken is geweest zoals deze door [naam 1] is beschreven in de ontslagbrief van 24 april 2015. Deze gang van zaken is door [naam 1] op 26 juni 2015 en 25 augustus 2015 bevestigd in telefoongesprekken met het Uwv. De verklaring van [naam 2] in een telefoongesprek met het Uwv op

18 augustus 2015 is daarmee in overeenstemming. Voorts blijkt uit de polisadministratie dat [naam bedrijf] elke maand 32 door appellant verloonde uren heeft verantwoord en dat dit ook het geval is geweest in de periode van 1 april tot en met 30 april 2015. Hierbij is van belang dat appellant ter zitting heeft verklaard dat hij bij [naam bedrijf] werkte als oproepkracht en dat hij als hij door ziekte moest verzuimen minder uitbetaald kreeg. Appellant heeft er geen verklaring voor kunnen geven dat [naam bedrijf] ondanks de door hem gestelde ziekte het normale loon heeft verantwoord.

4.5.

De ontkenning door appellant van de lezing in de ontslagbrief en de door hem ter onderbouwing daarvan overgelegde stukken zijn onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Daarbij is van belang dat deze stukken, een verklaring van de eigenaar van [naam bedrijf] en een werkrooster van [naam bedrijf] , ongedateerd zijn en pas in de beroepsfase door appellant zijn ingebracht. Voorts is het feit dat appellant een rooster heeft overgelegd opmerkelijk, nu de eigenaar van [naam bedrijf] op 10 september 2015 telefonisch benaderd is door het Uwv, waarbij is gevraagd naar een rooster en/of salarisadministratie waaruit zou blijken dat appellant op

24 april 2015 niet heeft gewerkt bij [naam bedrijf] en de eigenaar hierop te kennen heeft gegeven dat er geen registratie was. Opmerkelijk is ook dat in het door appellant overgelegde rooster wordt vermeld dat hij ziek was op vrijdag 24, zaterdag 25 en zondag 26 april 2015, terwijl appellant volgens zijn verklaring ter zitting op vrijdag en op zaterdag vier uur bij [naam bedrijf] placht te werken en niet (ook) op zondag. Dit patroon van twee maal vier uur per week is in overeenstemming met de verantwoording in de polisadminstratie door [naam bedrijf] , die 32 verloonde uren per maand vermeldt. Het zou voor de hand hebben gelegen wanneer in het rooster bij zondag 26 april een x zou zijn geplaatst net als bij de overige dagen van de week waarop appellant niet bij [naam bedrijf] placht te werken.

4.6.

Uitgaande van de lezing zoals neergelegd in de ontslagbrief van 24 april 2015 is sprake van een objectieve dringende reden. Gelet op de voortvarendheid waarmee is opgetreden is ook sprake van een dringende reden in subjectieve zin. Dat partijen in de ontslagzaak vervolgens alsnog tot een schikking zijn gekomen maakt dit niet anders nu, zoals in 4.3 is weergegeven, de redenen voor de beëindiging van het dienstverband bepalend zijn voor de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid.

4.7.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Feiten of omstandigheden voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de WW zijn niet gesteld.

4.8.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2018.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) B. Dogan

UM