Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:508

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
16/8088 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

AOW. Gezamenlijke huishouding. Geen zakelijke kostgangersrelatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 8088 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

24 november 2016, 16/1967 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 20 februari 2018

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. H. Versluis, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Versluis.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving vanaf 1 november 2011 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Naar aanleiding van een op 31 mei 2015 ingekomen systeemmelding dat betrokkene op 20 mei 2015 is verhuisd en dat op het nieuwe woonadres van betrokkene tevens [naam] ( [X] ) sinds 29 oktober 2011 woonachtig is, heeft appellant een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van betrokkene ingesteld. Betrokkene heeft in dat kader op 10 november 2015 een formulier ‘Onderzoek gezamenlijk huishouden’ ingevuld en een ‘overeenkomst kostganger’ aan appellant overgelegd. Voorts hebben twee toezichthouders van de Sociale verzekeringsbank op 30 november 2015 een huisbezoek afgelegd aan het opgegeven adres van betrokkene, waarbij een zogenoemde ‘Checklist’ is ingevuld. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een handhavingsrapportage van 11 december 2015.

1.2.

Bij besluit van 15 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 juli 2016 (bestreden besluit), heeft appellant het ongehuwdenpensioen van betrokkene met ingang van

1 juni 2015 herzien en vastgesteld naar de norm voor gehuwden of samenwonenden en een bedrag van € 1.730,28 van betrokkene teruggevorderd vanwege het over de periode van juni 2015 tot en met oktober 2015 ten onrechte betaalde AOW-pensioen. Hieraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene vanaf 20 mei 2015 een gezamenlijke huishouding voert met [X] . Van een commerciële kostgangersrelatie tussen betrokkene en [X] kan niet worden gesproken omdat betrokkene ten aanzien van zowel de huisvesting als de zorg zijn relatie met [X] onvoldoende op zakelijke wijze heeft vormgegeven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van

15 december 2015 herroepen en bepaald dat betrokkene vanaf juni 2015 recht heeft op een ouderdomspensioen voor een alleenstaande pensioengerechtigde.

3. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene en R geen gezamenlijke huishouding voeren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de AOW wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Van een gezamenlijke huishouding is op grond van het vierde lid sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2.

De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.3.

Niet in geschil is dat betrokkene en [X] , ten tijde hier van belang, hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.4.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.5.

Volgens betrokkene, daarin gevolgd door de rechtbank in de aangevallen uitspraak, is geen sprake van een gezamenlijke huishouding van betrokkene en [X] , omdat sprake is van een zakelijke kostgangersrelatie. In de onder 1.1 vermelde kostgangersovereenkomst is daartoe het volgende opgenomen: “De inwoning vindt plaatst met ingang van 15-5-2015. Prijs per maand € 375,- en wordt contant betaald. De huur betreft de volgende ruimten: slaapkamer, gebruik van douche, keuken, woonkamer, toilet. Er worden alleen lijfgoederen door [betrokkene] meegenomen. Ondergetekenden verklaren, dat er geen familierelatie bestaat tussen [betrokkene] en [ [X] ], noch een andere relatie”.

4.6.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens zoals die naar voren komen uit de door betrokkene ondertekende ‘Checklist’ en de rapportage van

11 december 2015 voldoende grondslag bieden voor het standpunt van appellant dat geen sprake is van een zakelijke kostgangersrelatie.

4.6.1.

Betrokkene is op 15 mei 2015 bij [X] ingetrokken. Betrokkene gebruikt niet alleen een door hem gehuurde kamer en sanitaire voorzieningen maar ook alle andere ruimtes en faciliteiten in de woning, met uitzondering van de slaapkamer van [X] . [X] betaalt de vaste lasten, doet de huishoudelijke werkzaamheden van de hele woning, doet klusjes in en rond het huis, kookt voor beiden en doet de was en strijkt voor beiden. Ook betrokkene kookt af en toe voor beiden. [X] doet bijna altijd de boodschappen. Hierover kunnen in het kader van een kostgangersrelatie afspraken worden gemaakt. Indien die diensten in dit geval onder de kostgangersovereenkomst zouden vallen, stelt appellant zich terecht op het standpunt dat een bedrag van € 375,- dan geen zakelijke en commerciële kostprijs is. Daar komt bij dat controleerbare en verifieerbare stukken waaruit blijkt dat betrokkene de verschuldigde huurprijs daadwerkelijk heeft betaald.

4.6.2.

Tot slot is van belang dat betrokkene en [X] bijna elke avond gezamenlijk doorbrengen. Als [X] bezoek krijgt hoeft betrokkene zich niet terug te trekken op zijn eigen kamer. Hij zit er dan gewoon bij. Dat is niet gebruikelijk bij een zakelijke kostgangersrelatie.

4.6.3.

Naar het oordeel van de Raad is, gelet op 4.6.1 en 4.6.2, geen sprake van een zakelijke relatie tussen betrokkene en [X] . De voormelde feiten en omstandigheden duiden veeleer op een in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden. De onder 4.6.1 genoemde feiten en omstandigheden leiden tot de conclusie dat sprake was van wederzijdse zorg als bedoeld in 4.4. De vraag of ten tijde hier van belang sprake was van een gezamenlijke huishoudpot, kan hierbij in het midden worden gelaten.

4.7.

Uit 4.6 vloeit voort dat betrokkene en [X] een gezamenlijke huishouding voeren.

4.8.

Het hoger beroep van appellant slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep dat is gericht tegen het besluit van 1 juli 2016 ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 juli 2016 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en A. Stehouwer en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2018.

(getekend) M. Hillen

(getekend) J.M.M. van Dalen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD