Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:499

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
17/3385 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar vader terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/3385 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 maart 2017, 16/7861 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 14 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld en om schadevergoeding verzocht.

De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nieuwstraten. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft bij besluit van 25 mei 2007 aan appellante met ingang van oktober 2007 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, (onder meer) in de vorm van een prestatiebeurs. De toekenning van een prestatiebeurs is voortgezet tot en met september 2013. De hoogte van de aanvullende beurs is bij alle toekenningsbesluiten over de periode oktober 2007 tot en met september 2013 vastgesteld op een bedrag van € 0,-. Vanaf oktober 2013 kon appellante niet langer aanspraak maken op een prestatiebeurs.

1.2.

Bij brief van 3 april 2016 heeft appellante te kennen gegeven dat zij sinds ongeveer 1999 geen contact heeft met, en niet op de hoogte is van de verblijfplaats van, haar vader. De minister heeft deze brief opgevat als een verzoek om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar vader (verzoek om loskoppeling).

1.3.

Bij besluit van 22 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft de minister het besluit van

20 juni 2016, waarbij het verzoek van appellante is afgewezen, gehandhaafd. Daartoe is overwogen dat ingevolge de wet een verzoek om loskoppeling maximaal met twee jaar terugwerkende kracht kan worden toegekend. Omdat appellante vanaf oktober 2013 geen aanspraak meer kon maken op een prestatiebeurs kan het verzoek nergens toe leiden. Van een eerder verzoek om loskoppeling is de minister niet gebleken.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de toekenningsbesluiten, waarbij de aanvullende beurs op nihil is gesteld, in rechte vaststaan. Gelet op artikel 6, tweede lid, van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000) heeft de minister het verzoek om loskoppeling van 3 april 2016 terecht afgewezen. Eerder door appellante gedane mededelingen, dat zij geen contact heeft met haar vader, heeft de minister niet hoeven opvatten als een verzoek tot loskoppeling.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Bij de toekenningsbesluiten over de periode oktober 2007 tot en met september 2013 is, anders dan appellante stelt, telkens voor de betreffende studiefinancieringstijdvakken beslist op de (doorlopende) aanvraag van appellante om toekenning van een aanvullende beurs. De vermelding in die besluiten dat de aanvullende beurs op € 0,- is gesteld is gericht op rechtsgevolg en daarmee zijn die besluiten, ook voor wat betreft dit onderdeel, aan te merken als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. De in deze besluiten gegeven informatie, inhoudende dat de gegevens van de ouders nodig zijn voor de berekening van de hoogte van de aanvullende prestatiebeurs en dat na ontvangst van de persoons- en inkomensgegevens van de ouders een nieuw besluit volgt, maakt het voorgaande niet anders. De Raad verwijst in dit verband ook naar zijn uitspraak van 2 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB7261.

4.2.

De minister heeft – onder verwijzing naar zijn postregistratiesysteem – deugdelijk gemotiveerd te kennen gegeven dat hij het zogeheten formulier OO van de vader (evenals van de moeder) van appellante van 5 juli 2007 niet heeft ontvangen. Bewijs van verzending van die formulieren heeft appellante niet geleverd. Ook indien ervan zou worden uitgegaan dat deze formulieren destijds zijn ingediend, dan betekent de plaatsing op het voor haar vader bestemde formulier van een vraagteken bij zijn woonadres en de vermelding op dat formulier dat appellante geen contact met haar vader heeft niet dat de minister dit formulier had moeten opvatten als een verzoek om loskoppeling. Daargelaten dat ook bewijs van verzending van de brief van 12 juni 2008 ontbreekt, had deze brief door de minister evenmin moeten worden opgevat als een verzoek om loskoppeling. Door eerst de brief van 3 april 2016 op te vatten als een verzoek om loskoppeling heeft de minister niet gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur.

4.3.

Een verzoek om loskoppeling op 3 april 2016 kan gelet op de van toepassing zijnde dwingendrechtelijke bepalingen van de Wsf 2000 (artikelen 1.1, 1.2, 3.14, derde lid, aanhef en onder b, en 3.21, eerste lid) en artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bsf 2000 niet leiden tot loskoppeling met ingang van een datum gelegen vóór 1 mei 2014. Omdat appellante in de periode waarop het verzoek betrekking kan hebben niet langer recht heeft op een prestatiebeurs kan het verzoek niet worden gehonoreerd.

4.4.

Voor toepassing van de hardheidsclausule heeft de minister geen aanleiding hoeven zien. De door de minister genomen toekenningsbesluiten over de periode oktober 2007 tot en met september 2013 zijn geheel in overeenstemming met de van toepassing zijnde wettelijke systematiek. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wsf 2000 is de hoogte van de aanvullende beurs afhankelijk van het ouderlijk inkomen, en wordt deze berekend met inachtneming van de artikelen 3.9 tot en met 3.13 van de Wsf 2000. Deze dwingendrechtelijke bepalingen brengen met zich dat indien, en zolang, de inkomensgegevens van de ouder(s) niet voorhanden zijn, een aanvraag voor een aanvullende beurs slechts kan leiden tot een besluit van de minister waarbij de aanvullende beurs wordt vastgesteld op een bedrag van € 0,-. Er is geen rechtsregel aanwijsbaar op grond waarvan de minister, na het nemen van een besluit op de aanvraag waarbij de aanvullende beurs op € 0,- is vastgesteld, verplicht is de studerende op enig moment mee te delen dat de voor de berekening van de hoogte van de aanvullende beurs vereiste gegevens niet zijn verkregen en hij derhalve geen nader besluit omtrent de hoogte van de aanvullende beurs kan nemen. Voorts ontbreekt een rechtsgrond die de minister verplicht de studerende persoonlijk te informeren over de regels betreffende de vaststelling van een aanvullende beurs onafhankelijk van het ouderlijk inkomen. De onjuiste veronderstelling van appellante dat de minister nog niet op haar aanvraag om een aanvullende beurs had beslist alsmede de onbekendheid van appellante met de loskoppelingsregeling komt voor haar risico en rekening.

4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) S.L. Alves

UM