Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:497

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
16/7414 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pgb terecht lager vastgesteld en teruggevorderd. Appellant niet heeft voldaan aan de administratieve verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa. Evenredige belangenafweging. Niet kan worden geoordeeld dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen om het pgb voor het jaar 2014 lager vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7414 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 oktober 2016, 15/5378 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 14 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y.Eryilmaz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Eryilmaz en M. Cordes als tolk. Het Zorgkantoor heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) aan appellant een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 19.915,37 voor het jaar 2014.

1.2.

Bij besluit van 17 februari 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellant voor het jaar 2014 vastgesteld op € 8.046,64. Daarbij is overwogen dat aan appellant een pgb van

€ 19.915,40 is verleend, dat een verantwoordingsvrij bedrag € 298,73 geldt en dat appellant een bedrag van € 7.747,91 heeft verantwoord. Het niet verantwoorde bedrag van € 11.868,76 heeft het Zorgkantoor van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij brief van 21 februari 2015 heeft appellant het Zorgkantoor verzocht om bij de vaststelling van het pgb over 2014 alsnog rekening te houden met een door appellant in januari 2015 aan de zorgverlener [zorgverlener] contant betaald bedrag van in totaal € 12.300,- voor begeleiding individueel en begeleiding groep met vervoer over de periode van 3 maart 2014 tot en met 31 december 2014. Bij besluit van 26 februari 2015 heeft het Zorgkantoor dat verzoek afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 10 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 17 februari 2015 en 21 februari 2015 ongegrond verklaard. De verantwoorde bedragen voor zorgverlener [zorgverlener] worden niet geaccepteerd omdat appellant niet heeft voldaan aan de verplichtingen verbonden aan het verleende pgb.

Hoewel appellant meermalen expliciet is gewezen op het verbod van het doen van contante betalingen, is hij opnieuw overgegaan tot het doen van contante betalingen. Voorts wordt op de verantwoordingsformulieren die aanvankelijk zijn ingediend ten onrechte geen melding gemaakt van deze zorgverlener en zijn er geen facturen van deze zorgverlener beschikbaar.

Bovendien blijkt uit de door appellant verstrekte informatie niet dat door [zorgverlener] zorg is geleverd als bedoeld in artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (BzA). Bij een afweging van de belangen heeft het Zorgkantoor geen aanleiding gezien om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheden om het pgb lager vast te stellen en de onverschuldigd betaalde voorschotten van hem terug te vorderen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa. De door de zorgverlener [zorgverlener] verleende zorg is onvoldoende administratief verantwoord. Er is contant betaald en er ontbreken declaraties van deze zorgverlener. Een betrouwbaar beeld van de gewerkte uren kan niet worden afgeleid uit de achteraf opgemaakte urenbriefjes. Voorts is niet aannemelijk geworden dat door [zorgverlener] aan appellant AWBZ-zorg is verleend. De rechtbank heeft verder overwogen dat het Zorgkantoor gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het voor 2014 verleende pgb lager vast te stellen. Omdat uit de verstrekte informatie niet kan worden opgemaakt dat het pgb daadwerkelijk is besteed aan AWBZ-zorg, heeft het Zorgkantoor het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen kunnen laten prevaleren boven het belang van appellant. Ten slotte zijn geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen gekeerd. Aangevoerd is dat de door appellant verantwoorde bedragen voor de door zorgverlener [zorgverlener] verleende zorg ten onrechte niet zijn geaccepteerd. In dat verband is gesteld dat de door [zorgverlener] verleende zorg wel voldoet aan artikel 6 van het BzA en dat met de achteraf opgemaakte urenbriefjes, gelet op de omstandigheden van het geval, een betrouwbaar beeld is gegeven.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het bestreden besluit, voor zover hier van belang, moet worden aangemerkt als een vaststellingsbesluit als bedoeld in artikel 2.6.13, tweede lid, van de Rsa en artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit besluit moet ook worden aangemerkt als een terugvorderingsbesluit als bedoeld in artikel 4:95 van de Awb.

4.2.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet heeft voldaan aan de administratieve verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa. Het Zorgkantoor was dan ook op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) moet het Zorgkantoor de bevoegdheid om pgb’s lager vast te stellen uitoefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.

4.4.

De door appellant aangevoerde omstandigheden maken niet dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen om het pgb voor het jaar 2014 lager vast te stellen. Anders dan appellant stelt, blijkt onvoldoende uit de stukken dat [zorgverlener] hem AWBZ-zorg heeft verleend. De door appellant overgelegde dagboekaantekeningen van [zorgverlener] bevatten globale aanduidingen in het kader van de zorgfuncties begeleiding individueel en begeleiding groep. Het dagboek geeft volstrekt geen inzicht in de concrete werkzaamheden en werkwijze van [zorgverlener]. Ook anderszins heeft appellant niet inzichtelijk gemaakt dat de door [zorgverlener] verleende zorg voldoet aan artikel 6 van het BzA. Nu niet duidelijk is kunnen worden dat door [zorgverlener] AWBZ-zorg is verleend is het niet accepteren van de verantwoording ten aanzien van [zorgverlener] geenszins onredelijk. Appellants stelling dat door [zorgverlener] in de jaren 2015 en 2016 dezelfde zorg is verleend en deze zorg wel is geaccepteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Niet alleen heeft appellant deze stelling niet onderbouwd, ook valt niet direct het belang van deze stelling te onderkennen gelet op de met ingang van het jaar 2015 gewijzigde wetgeving. Het Zorgkantoor heeft het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen dan ook kunnen laten prevaleren boven het belang van appellante.

4.5.

Nu het Zorgkantoor van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb gebruik heeft kunnen maken, heeft het Zorgkantoor aan appellante onverschuldigd een bedrag van

€ 11.868,76 aan voorschotten betaald. Het Zorgkantoor is bevoegd tot terugvordering daarvan over te gaan. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) S.L. Alves

KS