Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:493

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
16/655 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht geweigerd omdat geen sprake is van toegenomen medische beperkingen die voortkomen uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan zij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid, zoals bedoeld in artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA. Het onderzoek door het Uwv is zorgvuldig geweest. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsartsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 655 WIA

Datum uitspraak: 21 februari 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 december 2015, 14/6935 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. De Raad heeft het onderzoek daarom gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als horecamedewerker voor 40 uur per week. Zij heeft zich op 19 maart 2008 ziek gemeld wegens hoofdpijn en buikklachten. Bij besluit van 28 april 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 25 oktober 2009 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts van 18 maart 2010 en een rapport van een arbeidsdeskundige van 26 april 2010 ten grondslag. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

1.2.

Naar aanleiding van de melding van appellante van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2011, heeft het Uwv op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 29 juli 2013 vastgesteld dat per 23 april 2013 geen recht op WIA is ontstaan. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 juli 2013 is bij besluit van 28 oktober 2013 ongegrond verklaard. Dit besluit staat in rechte vast.

1.3.

Appellante heeft zich per 20 december 2013 en 4 februari 2014 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Appellante is van 24 december 2013 tot 4 januari 2014 opgenomen geweest vanwege een hersenvliesontsteking. Haar hoofdpijnklachten zijn sindsdien sterk toegenomen.

1.4.

Bij besluit van 19 maart 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per
20 december 2013 en 4 februari 2014 geen WIA‑uitkering kan krijgen omdat zij andere gezondheidsklachten heeft. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts van
14 maart 2014 ten grondslag.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 12 september 2014 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 maart 2014 ongegrond verklaard. Dit besluit is tot stand gekomen op basis van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van
3 september 2014.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de rapporten van 22 juni 2015 en 31 augustus 2015 voldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van een toename van de medische beperkingen ten opzichte van de beoordeling per einde wachttijd. Omdat het Uwv pas in beroep tot een deugdelijke motivering van het bestreden besluit is gekomen, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt dat sprake is van verergering van haar hoofdpijnklachten herhaald.

3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA in verbinding met artikel 55, derde lid, is – voor zover hier van belang – bepaald dat voor degene die aan het einde van de in artikel 54 van de Wet WIA bedoelde wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid, maar die geen recht had op toekenning van een WGA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, alsnog recht op uitkering ontstaat, indien hij binnen vijf jaar na het bereiken van de wachttijd wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.

4.2.

In geding is de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellante met ingang van 20 december 2013 en 4 februari 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat geen sprake is van toegenomen medische beperkingen die voortkomen uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan zij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid, zoals bedoeld in artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA.

4.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsartsen van het Uwv dat geen sprake is van een toename van de medische beperkingen ten opzichte van de eerdere beoordeling. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat zij, nu niet gebleken is van een toename van de medische beperkingen, aan de vraag of al dan niet sprake is van dezelfde ziekteoorzaak niet toekomt. Appellante heeft in hoger beroep gewezen op de gronden die zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Hierin zijn geen aanknopingspunten aangetroffen om tot een andersluidend oordeel te komen.

4.4.

Gezien wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) I.G.A.H. Toma

NW