Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:461

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
16-6311 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om kwijtschelding betreft niet leenbijstand maar terugvordering. Niet voldaan aan voorwaarden beleidsregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6311 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 september 2016, 15/7534 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug te Zeist (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 20 februari 2018

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Gemeenschappelijke regeling Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (Gemeenschappelijke regeling) oefent het dagelijks bestuur met ingang van 1 augustus 2012 de taken en bevoegdheden in het kader van de Participatiewet (PW) uit die voorheen door het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (RSD) als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede (college) werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder dagelijks bestuur tevens verstaan het dagelijks bestuur van de RSD, onderscheidenlijk het college.

Namens appellante heeft mr. A.E.L.Th. Balkema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2017. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.E. Arendsen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluiten van 5 augustus 2003 en 8 september 2004 heeft het dagelijks bestuur aan appellante en haar toenmalige echtgenoot [naam echtgenoot] (M) bijzondere bijstand in de vorm van een renteloze lening (leenbijstand) verleend tot een bedrag van onderscheidenlijk

€ 3.781,- en € 592,- voor de kosten van woninginrichting. Bij besluit van 24 september 2003 heeft het dagelijks bestuur appellante en M bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een borgtocht voor een bedrag van maximaal € 2.448,- in verband met een lening bij de Stadsbank [regio] (Stadsbank). Tegen deze besluiten zijn geen rechtsmiddelen ingesteld.
Omdat appellante vanaf 2005 niet meer afloste op de uit haar afgesproken betalingsregeling, heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 28 november 2005 een bedrag van € 5.459,08 van appellante en haar toenmalige echtgenoot teruggevorderd. Omdat appellante en M vanaf september 2005 de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk zijn nagekomen jegens de Stadsbank, heeft het dagelijks bestuur, op verzoek van de Stadsbank, het openstaande saldo van de lening ten bedrage van € 800,20 op grond van de verleende borgstelling voldaan. Bij besluit van 6 augustus 2008 heeft het dagelijks bestuur met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet werk en bijstand (WWB) het bedrag van € 800,20 teruggevorderd van appellante en M. Daarbij zijn zij tevens gewezen op de nog openstaande vordering uit leenbijstand van € 5.292,91. Nadat het dagelijks bestuur een verzoek om kwijtschelding bij besluit van 21 oktober 2008 had afgewezen, heeft het dagelijks bestuur een betalingsregeling met appellante en M getroffen, welke in 2009 is verlengd. Omdat zij vanaf maart 2010 deze terugbetalingsverplichting niet nakwamen, heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 18 mei 2010 het volledige nog openstaande bedrag van de leenbijstand van € 5.292,91 van appellante en M teruggevorderd. Tegen dit besluit hebben appellante en M geen bezwaar gemaakt. Nadat de betalingsregeling in november 2011 is gecontinueerd en appellante en M vanaf mei 2012 de terugbetalingsverplichting wederom niet nakwamen, is het dagelijks bestuur bij besluit van 11 juli 2012 overgegaan tot verrekening op grond van artikel 60a, eerste lid, van de WWB.

1.2.

Bij brief van 10 augustus 2015 heeft appellante het dagelijks bestuur verzocht om kwijtschelding van de schuld met betrekking tot de in 2008 verstrekte leenbijstand.

1.3.

Bij besluit van 17 augustus 2015, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 december 2015 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur het verzoek van appellante om kwijtschelding afgewezen en de verrekening op grond van artikel 60a, eerste lid, van de PW gecontinueerd. Aan de besluitvorming ligt, voor zover van belang, ten grondslag dat appellante niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van leenbijstand, omdat de openstaande saldi van de leenbijstand bij besluiten van 28 november 2005 en 6 augustus 2008 zijn teruggevorderd. In dit geval is daarom niet de interne uitvoeringsrichtlijn leenbijstand van toepassing, maar de Beleidsregel herziening, intrekking en terugvordering Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (RDWI) 2014 (beleidsregel). Aangezien appellante niet heeft voldaan aan de in artikel 10 van de beleidsregel vastgelegde criteria voor het afzien van verdere terugvordering, komt appellante daar niet voor in aanmerking.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft betoogd dat het dagelijks bestuur niet bevoegd was om op het verzoek om kwijtschelding te beslissen. De leenbijstand is aangevraagd en toegekend onder het regime van de Algemene bijstandswet (Abw), toen het college bevoegd was om op aanvragen om bijzondere bijstand te beslissen. Weliswaar zijn na 1 januari 2004 de bevoegdheden van het college op grond van de WWB overgedragen aan het dagelijks bestuur van de RSD, maar in de toepasselijke regelingen is niet opgenomen dat dit ook geldt voor besluiten op grond van de Abw. Appellante stelt zich dan ook op het standpunt dat het college in dit geval het bevoegde bestuursorgaan is.

4.1.1.

De beroepsgrond slaagt niet. In geschil is het verzoek om kwijtschelding van 10 augustus 2015. Gelet op de datum van het verzoek dient dit verzoek te worden beoordeeld op grond van de, met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden, PW. De enkele omstandigheid dat de terugvordering waarvan kwijtschelding wordt verzocht onder een ander wettelijk regime tot stand is gekomen, maakt dit niet anders. Niet in geschil is dat het dagelijks bestuur bevoegd is om besluiten op grond van de PW te nemen.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat het onjuiste kwijtscheldingsbeleid is toegepast. Volgens haar had het dagelijks bestuur in dit geval moeten toetsen aan de interne uitvoeringsrichtlijn leenbijstand op grond waarvan de betrokkene na 36 maanden voldoen aan zijn of haar betalingsverplichting in aanmerking kan komen voor kwijtschelding. Appellante is van mening dat zij meer dan 36 termijnen naar draagkracht heeft afgelost.

4.2.1.

Dit betoog slaagt niet. Gelet op de stukken en de door de gemachtigde van het dagelijks bestuur gegeven toelichting ter zitting van de Raad, is, zodra een terugvorderingsbesluit is genomen, geen sprake meer van een verzoek om kwijtschelding van leenbijstand, maar van een verzoek om af te zien van verdere terugvordering. Omdat het dagelijks bestuur bij het onder 1.1 genoemde besluit van 18 mei 2010 het volledige nog openstaande bedrag aan leenbijstand van appellante en M heeft teruggevorderd, is de uitvoeringsrichtlijn leenbijstand in dit geval dus niet (meer) van toepassing. Het dagelijks bestuur heeft zich gelet daarop terecht beperkt tot de vraag of appellante al dan niet in aanmerking kan komen voor het afzien van verdere terugvordering.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 25 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2854) ligt de bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terug- of invordering in artikel 58 van de WWB besloten. Deze rechtspraak heeft haar werking voor wat betreft artikel 58, tweede lid, van de PW behouden, nu het daarbij nog altijd gaat om een discretionaire bevoegdheid. Deze bevoegdheid van het dagelijks bestuur om geheel of gedeeltelijk van verdere terug- of invordering af te zien is nader uitgewerkt in de beleidsregel.

4.3.1.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de beleidsregel kan het bestuur van de RDWI, in geval er geen sprake is van verwijtbaar gedrag, besluiten per vordering van (verdere) terugvordering af te zien indien de belanghebbende:

a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan of

b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten alsnog heeft betaald of

c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten of

d. een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost.

Wat appellante heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid tot dit beleid heeft kunnen komen.

4.3.2.

Aan de in artikel 10, tweede lid, onder a genoemde voorwaarde van de beleidsregel is niet voldaan. Uit de onder 1.1 weergegeven feiten blijkt dat appellante zich van september 2005 tot en met oktober 2008, van maart 2010 tot en met oktober 2011 en van mei 2012 tot aan het besluit van 11 juli 2012, waarbij tot verrekening is overgegaan, niet aan haar betalingsverplichtingen heeft gehouden. Ook had appellante het achterstallige bedrag over de hier genoemde periodes, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, ten tijde van het bestreden besluit niet alsnog betaald. Appellante heeft dus ook niet aan de hiervoor onder b genoemde voorwaarde voldaan. Omdat evenmin is gesteld dat appellante aan de hiervoor onder c of d genoemde voorwaarden heeft voldaan, heeft het dagelijks bestuur in redelijkheid geoordeeld dat appellante niet voor het afzien van verdere terugvordering in aanmerking kon komen. Wat appellante heeft aangevoerd levert geen bijzondere omstandigheden op om met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht van de beleidsregel af te wijken.

4.4.

De beroepsgrond dat de bij de besluiten van 5 augustus 2003 en 8 september 2004 verstrekte bijzondere bijstand destijds niet als leenbijstand, maar als bijstand om niet had moeten worden verstrekt, en dat het dagelijks bestuur dit gegeven bij het verzoek om kwijtschelding had moeten betrekken, slaagt reeds niet omdat voornoemde besluiten in rechte onaantastbaar zijn.

5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2018.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) P.C. de Wit

HD