Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:454

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
17/837 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van besluit. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 837 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 december 2016, 15/3658 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 14 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. van Weersch hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Weersch. Het Zorgkantoor is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2012 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 5.579,37.

1.2.

Bij besluit van 26 maart 2013 heeft het Zorgkantoor het pgb voor het jaar 2012 vastgesteld op € 3.800,18. Daarbij is overwogen dat aan appellant een pgb van € 5.579,37 is verleend, dat een verantwoordingsvrij bedrag van € 250,- geldt en dat van de door appellant ingezonden verantwoording een bedrag van € 3.550,18 wordt geaccepteerd. Dit betekent dat van appellant een bedrag van € 1.779,19 wordt teruggevorderd. Tegen het besluit van 26 maart 2013 zijn door of namens appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Bij brief van 16 juli 2015 heeft appellant het Zorgkantoor verzocht terug te komen van het besluit van 26 maart 2013. Bij besluit van 22 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 november 2015 (bestreden besluit), heeft het Zorgkantoor dit verzoek afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, omdat het feiten betreft die appellant al in het kader van de besluitvorming over de verantwoording van het pgb over 2012 had kunnen en moeten aanleveren. Het achterwege blijven van een herziening is volgens de rechtbank niet evident onredelijk.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek van appellant van 16 juli 2015 strekt ertoe dat het Zorgkantoor terugkomt van zijn besluit van 26 maart 2013. Het Zorgkantoor heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (uitspraak van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

Ter ondersteuning van zijn verzoek van 16 juli 2015 heeft appellant aangevoerd dat hij pas in juni 2015 van zijn (voormalige) zorgverlener [naam zorgverlener] vernam dat een op 25 maart 2013 verrichte betaling van € 1.381,50 aan [naam zorgverlener] de over de maanden oktober tot en met december 2012 verleende zorg betrof. Dit bedrag moet volgens appellant alsnog worden betrokken bij de vaststelling van het pgb voor het jaar 2012.

4.5.

Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat dit geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Uitgangspunt bij de Rsa is dat de verantwoordelijkheid voor de verantwoording van het pgb bij de verzekerde ligt. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 3 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3319) blijft dit uitgangspunt ook overeind als, zoals in het geval van appellant, het beheer van het pgb door de verzekerde is overgedragen aan een derde, in dit geval [naam zorgverlener] . Gelet daarop moet het ervoor worden gehouden dat appellant ten tijde van de verantwoording had kunnen nagaan dat de zorg, waarvoor de betaling op 25 maart 2013 aan [naam zorgverlener] was bedoeld, was verleend. Aangezien ten tijde van de verantwoording ook de daarop betrekking hebbende facturen beschikbaar waren had hij toen ook behoren te weten dat hij niet alle over het jaar 2012 verleende zorg had verantwoord.

4.6.

Het Zorgkantoor mocht het verzoek van appellant van 16 juli 2015 in beginsel dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 26 maart 2013. Het bedrag van de betaling op 25 maart 2013 komt niet overeen met de onder 4.5 bedoelde facturen. Het bankafschrift met deze betaling bevat bovendien geen omschrijving van de periode waarin de zorg is verleend, zodat onvoldoende duidelijk is dat deze betaling betrekking heeft op zorg verleend in de laatste drie maanden van 2012. Wat appellant heeft aangevoerd leidt reeds daarom niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en J.P.A. Boersma en P. J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) L.H.J. van Haarlem

UM