Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
16/6721 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening bijstand in verband met inkomsten uit deeltijd ondernemerschap. Buitenwettelijk begunstigend beleid ten aanzien van aftrekposten. College hoefde opleidingskosten niet als aftrekposten in aanmerking te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6721 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

15 september 2016, 16/486 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

Datum uitspraak: 13 februari 2018

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2017. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.T.F.A. de Boer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 september 2013 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Hij verrichtte in het kader van zijn eigen onderneming advieswerkzaamheden op het terrein van [werkgebied] .

1.2.

Bij besluit van 22 december 2014 heeft het college met toepassing van de Richtlijn Deeltijdondernemers van de gemeente Arnhem (Richtlijn) aan appellant tot 30 juni 2015 toestemming verleend om bedrijfsactiviteiten van bescheiden omvang uit te voeren als deeltijdondernemer. In de bijlage bij dit besluit heeft het college onder meer vermeld dat de verworven middelen in mindering worden gebracht op de bijstand. Tevens heeft het college daarin vermeld dat, indien voor de uitvoering van de werkzaamheden bedrijfskosten worden gemaakt, deze bedrijfskosten in bepaalde, in de bijlage nader omschreven, gevallen aftrekbaar zijn en dat specifieke bedrijfskosten in dat verband ter discussie kunnen worden gesteld.

1.3.

In het kader van een onderzoek naar het recht op bijstand van appellant over het jaar 2014 heeft het college vastgesteld dat de onderneming van appellant over dat jaar een omzet heeft gemaakt van € 1.161,53. Het college heeft de op grond van de Richtlijn in aanmerking te nemen bedrijfskosten vastgesteld op een bedrag van € 937,64. Dit heeft het college tot de conclusie geleid dat de in aanmerking te nemen inkomsten over het jaar 2014 € 223,89 bedroegen. Het college had over januari 2014 reeds een bedrag van € 157,30 aan inkomsten uit deeltijdondernemerschap in mindering gebracht op de bijstand van appellant. Gelet op het voorgaande heeft het college geconcludeerd dat over het jaar 2014 nog een bedrag van

€ 66,59 in mindering diende te worden gebracht op de aan appellant verleende bijstand. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 22 september 2015.

1.4.

Bij besluit van 21 september 2015 heeft het college het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 in overeenstemming met wat onder 1.3 is overwogen herzien en de kosten van bijstand over die periode van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 66,59.

1.5.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft hierbij aangevoerd dat het college ten onrechte de kosten van collegegeld voor een masterstudie Rechten niet als aftrekpost in aanmerking heeft genomen.

1.6.

Het college heeft het besluit van 21 september 2015 gehandhaafd bij besluit van

10 december 2015 (bestreden besluit). Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat geen aanleiding bestaat het collegegeld voor de masteropleiding als aftrekpost in aanmerking te nemen omdat deze deeltijdstudie niet essentieel is om de werkzaamheden als deeltijdondernemer te kunnen verrichten. Het collegegeld betreft niet indirecte beroepskosten die in het kader van het deeltijdondernemerschap als aftrekpost op de inkomsten in mindering moeten worden gebracht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft ter zitting afdoende toegelicht wat de gronden van het hoger beroep zijn. Deze gronden houden, verkort weergegeven, het volgende in. Het college heeft ten onrechte de kosten van het collegegeld voor een masterstudie niet als aftrekpost in aanmerking heeft genomen. Het was appellant niet op het juiste moment duidelijk welke posten wel en welke niet op de bedrijfsresultaten in mindering konden worden gebracht. Dat de kosten van het collegegeld niet als aftrekpost werden aanvaard acht appellant daarom in strijd met het vertrouwensbeginsel. Het college had de regelgeving van de Belastingdienst moeten volgen. Het college heeft zich ten onrechte gemengd in de zakelijke afwegingen die hij als ondernemer in het kader van zijn bedrijfsvoering meende te moeten maken. Appellant ziet zich beperkt in zijn vrijheid om als ondernemer zakelijke beslissingen te kunnen nemen. Het college heeft zich ten onrechte bevoegd en in staat geacht om te bepalen wat indirecte en directe zakelijke kosten zijn en bovendien bij het bepalen van de inkomsten miskend dat de winst wordt gevormd door de omzet minus de kosten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant ten tijde hier van belang niet was aan te merken als zelfstandige in de zin van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz), zodat het college het recht op bijstand van appellant terecht heeft vastgesteld met toepassing van de bepalingen van de WWB.

4.2.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de WWB had appellant over het jaar 2014 recht op bijstand voor zover hij niet over de middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van WWB, voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WWB is de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm. Volgens artikel 32, eerste lid, van de WWB wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 van de WWB in aanmerking genomen middelen voor zover deze (a) betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, (…) en (b) betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

4.3.

De inkomsten die appellant heeft verworven met de activiteiten voor zijn onderneming zijn aan te merken als inkomsten uit of in verband met arbeid. De inkomsten betreffen, anders dan appellant meent, al wat hij heeft ontvangen uit of in verband met zijn arbeid. Het bedrag aan inkomsten is dus gelijk aan het bedrag van de omzet. De directe en indirecte bedrijfskosten die een zelfstandig ondernemer in fiscale zin op de omzet in mindering brengt om de winst te berekenen, blijven in beginsel buiten beschouwing waar het gaat om een deeltijdondernemer zoals appellant, die aanspraak maakt op bijstand op grond van de WWB en op wie de fiscale regelgeving voor zelfstandig ondernemers niet van toepassing is. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9167) is in het kader van de bijstand bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen namelijk geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten. De door appellant opgevoerde zakelijke kosten kunnen bij de vaststelling van de inkomsten uit of in verband met arbeid dan ook in beginsel niet in mindering worden gebracht op die inkomsten.

4.4.

Het college voerde ten tijde hier in geding een in de Richtlijn neergelegd beleid voor bijstandsgerechtigden die in geringe omvang werkzaamheden als deeltijdondernemer uitoefenden. Voor deze groep mensen gold, in afwijking van wat onder 4.3 is overwogen, dat met bepaalde verwervingskosten, in het verlengde van de regelgeving van de Belastingdienst, rekening kon worden gehouden bij de vaststelling van de omvang van de inkomsten die op de bijstand in mindering dienden te worden gebracht. Een aantal van deze aftrekposten is in de Richtlijn opgesomd. Daarnaast is daarin vermeld dat eventuele andere aftrekposten onderwerp van discussie kunnen zijn.

4.5.

Anders dan appellant meent, volgt uit de tekst van de Richtlijn niet dat het college bij de vaststelling van de aftrekposten de regelgeving van de Belastingdienst diende te volgen. Blijkens de tekst van de Richtlijn vindt die vaststelling immers plaats in het verlengde van, en niet in overeenstemming met, die regelgeving.

4.6.

Appellant heeft zijn beroep op het vertrouwensbeginsel ter zitting aldus toegelicht dat hij niet kan wijzen op een ondubbelzinnige ongeclausuleerde toezegging maar dat hij als ondernemer nu eenmaal op een bepaald moment een zakelijke beslissing moest nemen en dat hij daarbij moest varen op door het college verstrekte informatie, die niet duidelijk was. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Dat appellant zakelijke beslissingen moest nemen zonder zijns inziens afdoende informatie over mogelijke aftrekposten in de zin van de Richtlijn betekent niet dat het college de verwachting heeft gewekt dat het collegegeld als aftrekpost zou worden geaccepteerd. In de opsomming van aftrekposten in de Richtlijn zijn opleidingskosten niet vermeld. Appellant heeft er dan ook niet redelijkerwijs op kunnen vertrouwen dat die kosten wel als zodanig zouden worden aangemerkt.

4.7.

Anders dan appellant stelt is niet gebleken dat het college zich met de bedrijfsvoering van appellant heeft bemoeid. Het college heeft het ondernemersbeleid van appellant niet getoetst en appellant hierin geen beperking opgelegd. Appellant was volledig vrij in zijn keuze om in het kader van zijn ondernemerschap directe en indirecte zakelijke kosten te maken in de vorm van bijvoorbeeld collegegeld voor een masteropleiding. Ter beoordeling staat dan ook niet de vraag of de kosten voor het volgen van die opleiding voor appellant zakelijk gezien noodzakelijke kosten waren voor zijn onderneming. Ter beoordeling staat de vraag of het college bevoegd was om de kosten van het collegegeld voor die opleiding niet als aftrekpost in mindering te brengen op de voor de bijstandverlening in aanmerking te nemen middelen als bedoeld onder 4.2 en 4.3. Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord. Zoals volgt uit voormelde overwegingen is het in de Richtlijn neergelegde beleid buitenwettelijk begunstigend. Het uitgangspunt van dat beleid is dat bijstandsgerechtigden door middel van deeltijdondernemerschap zo snel mogelijk weer volledig in hun levensonderhoud kunnen voorzien en op korte termijn kunnen uitstromen uit de bijstand. In dit licht kan niet worden gezegd dat het college bij het bestreden besluit aan de Richtlijn een onjuiste uitvoering heeft gegeven door de het collegegeld voor de masteropleiding niet af te trekken van de inkomsten die op de bijstand van appellant in mindering dienden te komen.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2018.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) A. Mansourova

HD