Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:444

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
17/2107 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plichtsverzuim vast komen staan. Anders dan de rechtbank en met appellant heeft de Raad de overtuiging gekregen dat betrokkene zich samen met A en B schuldig heeft gemaakt aan handel in afvalstoffen. Hierbij met name betekenis toegekend aan verklaringen van medewerkers uit eigen onderzoek van appellant. De verklaring van B, de beheerder, biedt ondersteuning van de genoemde verklaringen. Hieruit volgt dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan gedraging 1 genoemd onder 1.5 en dat ook deze gedraging plichtsverzuim oplevert. Wat betreft de gedragingen 2 en 3 bestaat evenzeer de overtuiging dat betrokkene deze heeft begaan. Toerekenbaar. De opgelegde disciplinaire straf van ontslag is niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/2107 AW, 17/4095 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

20 februari 2017, 16/1164 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 15 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. M.L.M. van de Laar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.W. van Duijnhoven een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 23 mei 2017 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft, aanvankelijk gevoegd met de zaken 16/4623 AW,

16/6030 AW en 16/6282 AW (inzake A) en de zaken 16/7662 AW, 17/1518 AW en 17/1773 AW (inzake B), plaatsgevonden op 14 december 2017. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Duijnhoven. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. Van de Laar, J.L.C.M. Janssen en C.E.J. Hensen. Tijdens de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In deze zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is sinds 1 december 2007 in dienst bij de gemeente [naam] en was tot juli 2013 werkzaam in de functie van [naam functie 1] bij [locatie] . Vanwege een geweldsincident is betrokkene vanaf juli 2013 elders geplaatst binnen [naam dienst] . Laatstelijk was hij werkzaam als [naam functie 2] bij

[naam afdeling] .

1.2.

Naar aanleiding van de signalen over fraude bij de milieuparken heeft appellant een onderzoek laten verrichten door Hoffmann Bedrijfsrecherche BV (Hoffmann). In dit kader is betrokkene op 25 juni 2014 gehoord. Op 16 juli 2014 heeft Hoffmann een rapport uitgebracht. Daarin is onder meer vermeld dat uit het onderzoek bekend is geworden dat alleen een deel van de signalen over betrokkene op waarheid berust. Geconcludeerd is dat niet bekend is geworden dat op grote schaal sprake is van de verkoop van afvalstromen met een restwaarde.

1.3.

Vervolgens heeft appellant zelf een onderzoek ingesteld naar de betrokkenheid van de medewerkers van [locatie] bij de vermeende illegale activiteiten die uit de signalen naar voren zijn gekomen. In dat kader is op 29 augustus 2014 met betrokkene een gesprek gevoerd.

1.4.

Bij besluit van 22 juli 2014 is betrokkene met onmiddellijke ingang op grond van

artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente [naam] ( [AVR X] ) geschorst. Dit besluit is in rechte komen vast te staan.

1.5.

Nadat appellant daartoe een voornemen had bekendgemaakt en betrokkene zijn zienswijze daarop naar voren had gebracht is betrokkene op grond van artikel 8:13 en artikel 16:1:1 van de [AVR X] bij besluit van 27 januari 2015 strafontslag verleend. Daaraan is ten grondslag gelegd dat vast is komen te staan dat sprake is geweest van fraude op [locatie] . Aan betrokkene is het volgende plichtsverzuim ten laste gelegd:

1. fraude, dat wil zeggen het - zonder toestemming - vervreemden van goederen van de gemeentelijke milieuparken dan wel het (laten) drijven van illegale handel in deze goederen;

2. geen (voldoende) openheid van zaken geven hierover;

3. het verstrekken van onjuiste verklaringen hieromtrent;

1.6.

Bij besluit van 11 maart 2016 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 27 januari 2015 ongegrond verklaard.

1.7.

Bij het nadere besluit van 23 mei 2017 heeft appellant betrokkene ontslag op grond van artikel 8:8 van de [AVR X] verleend. Subsidiair is de disciplinaire maatregel van overplaatsing op grond van artikel 16:1:2, eerste lid, sub h, van de [AVR X] opgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, overwogen dat wat betrokkene wordt verweten vrijwel uitsluitend op verklaringen van collega’s is gebaseerd. Ten aanzien van het meenemen van goederen en het dumpen van spullen heeft de rechtbank overwogen dat op grond van de beschikbare verklaringen voldoende vast is komen te staan dat betrokkene zonder toestemming hout mee naar huis heeft genomen en in elk geval paardenmest heeft gedumpt op het [dienstonderdeel] zonder hiervoor te betalen. Aangezien betrokkene op de hoogte was van het feit dat voornoemde gedragingen niet waren toegestaan is er sprake van plichtsverzuim. Ten aanzien van het (onvoldoende) openheid van zaken geven over andere voorvallen ziet de rechtbank niet in waarom dit voldoende grondslag voor een onvoorwaardelijk strafontslag zou bieden. Voor zover betrokkene onjuiste verklaringen heeft afgelegd vormt dit een onvoldoende onderbouwing voor het feit dat sprake zou zijn geweest van grootschalige fraude. Ten aanzien van de evenredigheid van het strafontslag aan het gepleegde plichtsverzuim overweegt de rechtbank dat het af en toe meenemen van spullen in enige mate is gedoogd. Gelet op de relatief geringe aard en ernst van de gedragingen acht de rechtbank onvoorwaardelijk strafontslag niet evenredig.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de rechtbank ten aanzien van het meenemen van hout en het dumpen van paardenmest weliswaar terecht plichtsverzuim heeft vastgesteld, maar dat sprake is van meer en ernstiger plichtsverzuim. Appellant hecht wel degelijk waarde aan de veelvoud aan belastende verklaringen van collega’s en stelt zich op het standpunt dat de rechtbank te lichtvaardig over de onjuiste verklaringen van betrokkene heen is gestapt. De cultuur is geen rechtvaardiging voor het handelen. Er is geen enkel vertrouwen dat betrokkene nu wel volledig opening van zaken heeft gegeven.

3.2.

Betrokkene heeft onder meer benadrukt dat de gebeurtenissen niet ontslagwaardig zijn. De feiten zijn niet ernstig genoeg en appellant heeft onvoldoende focus gehad op de bescherming van haar eigen ambtenaren aan de verleidingen waaraan ze werden blootgesteld. Een waarschuwing of berisping was meer op zijn plaats geweest.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de beoordeling dat sprake is van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven, is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op grond van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.2.1.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in voldoende mate is komen vast te staan dat betrokkene zonder toestemming goederen (hout) mee naar huis heeft genomen en zaken (paardenmest) heeft gedumpt op het [dienstonderdeel] zonder hiervoor te betalen. Betrokkene heeft deze gedragingen erkend en was ervan op de hoogte dat dit niet was toegestaan, zodat sprake is van plichtsverzuim. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3532) maakt het feit dat de meegenomen goederen niet van (grote) waarde zijn dit niet anders.

4.2.2.

Anders dan de rechtbank en met appellant heeft de Raad voorts de overtuiging gekregen dat betrokkene zich samen met A en B schuldig heeft gemaakt aan handel in afvalstoffen. De Raad kent daarbij met name betekenis toe aan de onder 4.2.3 en 4.2.4 genoemde verklaringen van medewerkers, afgelegd in het eigen onderzoek van appellant in de periode van juli tot en met oktober 2014. Er zijn geen aanknopingspunten in het dossier om te oordelen dat dit onderzoek onzorgvuldig is geweest. Het enkele feit dat de mondeling afgelegde verklaringen niet woordelijk zijn uitgewerkt maar in de vorm van een verslaglegging en dat daarbij een enkele keer dezelfde formuleringen zijn gebruikt, doet geen afbreuk aan de inhoud en waarheidsgehalte van die verklaringen.

4.2.3.

C, [naam functie 3] , heeft voor zover hier van belang verklaard dat hij heeft waargenomen dat accubakken door [naam BV] ( [naam BV] ) vanaf het [locatie] werden opgehaald met een heftruck; dat hij de heftruck herkende; dat dit was rond 7.00 uur in de ochtend en dat hij het vermoeden had dat [naam BV] een sleutel van het [locatie] bezat omdat hij geen van de medewerkers van het [dienstonderdeel] zag en ook geen auto van een medewerker van het [dienstonderdeel] zag staan.

D, [naam functie 4] , heeft onder meer verklaard dat hij heeft gezien dat een keer tussen 7.00 en 8.00 uur in de morgen een auto van [naam BV] de metaalcontainer ophaalde en daarmee het terrein van [naam BV] opreed; dat een keer tussen 7.00 en 8.00 uur in de morgen een auto van [naam BV] de metaalcontainer terugplaatste; dat een medewerker van [naam BV] vóór openingstijd van het [dienstonderdeel] met een heftruck de accubak kwam ophalen en dat een medewerker van [naam BV] vóór openingstijd van het [dienstonderdeel] met een heftruck de accubak kwam terugbrengen. Betrokkene was volgens D één van de medewerkers die regelmatig tussen 7.00 en 8.00 uur in de morgen op het [dienstonderdeel] aanwezig was.

E, [naam functie 5] , heeft verklaard dat hij zeker vijf keer heeft gezien dat een derde persoon (naast de [naam functie 6] en de [naam functie 7] ) met een kliko-container langs de metaalcontainer liep en daaruit ijzer en koper haalde of andere waardevolle spullen uit andere containers haalde, die dan in de kliko werden gedaan en dat die derde persoon daarmee naar het

KCA-depot ging. De derde persoon was wisselend, maar steeds iemand van de vaste medewerkers van de gemeente [naam] . Volle KCA-vaten werden daar aan de deur gezet, buiten het depot; het betrof dagelijks meerdere vaten. E heeft verder verklaard dat hij een keer in die KCA-vaten heeft gekeken en dat hij heeft gezien dat er toen ijzer inzat. Ook heeft E verklaard dat [naam BV] de vaten kwam ophalen toen betrokkene in de unit verbleef.

F, [naam functie 3] , heeft verklaard dat hij minimaal twee, mogelijk drie keer heeft gezien dat er tussen 7.30 en 8.00 uur in de morgen, in ieder geval ruim vóór openingstijd, een heftruck van [naam BV] het [locatie] op reed, die werd binnengelaten door A. Die heftruck heeft een grijze accubak, die op het terrein stond achter het gebouwtje, opgeladen en is weer vertrokken. F heeft verklaard dat hij zich daar over verbaasde maar dacht dat het zo was afgesproken met deze firma.

Ten slotte heeft G, medewerkster [naam dienst] , verklaard dat zij in 2013 heeft gezien hoe A bij de uitgang van het [dienstonderdeel] stond, ter hoogte van het KCA-depot en toekeek terwijl een persoon met een heftruck vier tot zes blauwe KCA-vaten oplaadde en vervolgens met deze vaten het [dienstonderdeel] verliet en in de richting van het terrein van [naam BV] afsloeg. Kort daarna kwam die persoon het [dienstonderdeel] op en is hij het kantoor binnengegaan. Na korte tijd heeft A tegen die persoon gezegd dat het zo goed was waarop deze het kantoor verliet, aldus G.

Uit deze verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat [naam BV] herhaaldelijk, vóór openingstijd, met een heftruck [locatie] opreed, KCA-vaten en/of accubakken ophaalde en daarmee het terrein van het [dienstonderdeel] verliet. Ook blijkt uit die verklaringen dat die vaten en/of accubakken door [naam BV] weer zijn teruggebracht naar [locatie] . De volle KCA-vaten werden buiten, aan de achterzijde van het KCA-depot, neergezet. Waargenomen is dat er ijzerwaren in de KCA-vaten zaten. Ook is waargenomen dat betrokkene in elk geval één maal aanwezig was op het [dienstonderdeel] ten tijde van een bezoek van [naam BV] . Hier weegt mee, dat de signalen die aanleiding gaven tot het onderzoek naar (grootschalige) fraude op de [dienstonderdeel] , geen aanleiding gaven om de medewerkers die deze verklaringen hebben afgelegd te verdenken van betrokkenheid daarbij. Dat laatste is evident anders bij betrokkene.

4.2.4.

Daarnaast komt betekenis toe aan de verklaring van B, beheerder, die inhoudt dat [naam BV] op structurele basis als vriendendienst meehielp om containers te verplaatsen met een heftruck. Het komt ongeloofwaardig voor dat een op winst gerichte onderneming zonder wederdienst activiteiten zou ontplooien op een gemeentelijk [dienstonderdeel] . Nu B met deze verklaring heeft bevestigd dat [naam BV] geregeld op het [dienstonderdeel] aanwezig was, terwijl deze onderneming niet behoorde tot de afnemers of transporteurs van het [dienstonderdeel] en om die reden niet aanwezig behoefde te zijn, biedt deze verklaring een ondersteuning van de

onder 4.2.3 genoemde verklaringen.

4.3.

Uit 4.2.1 tot en met 4.2.4 volgt dat appellant op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan gedraging 1 genoemd onder 1.5 en dat ook deze gedraging plichtsverzuim oplevert.

4.4.

Wat betreft de gedragingen 2 en 3 bestaat evenzeer de overtuiging dat betrokkene deze heeft begaan. Dat hij onjuist heeft verklaard volgt al uit het oordeel over de niet toegestane handel met [naam BV] . De verklaring van betrokkene van 25 juni 2014, dat [naam BV] nooit goederen kwam ophalen op het [locatie] , is hiermee in strijd en bovendien weersproken door de onder 4.2.3 genoemde medewerkers en door B. Ook staat vast dat betrokkene geen openheid van zaken heeft gegeven en zijn verklaringen in de loop der tijd telkens heeft aangepast.

4.5.

Appellant heeft de onder 1.5 opgesomde gedragingen dus terecht gekwalificeerd als plichtsverzuim. Nu niet gebleken is dat het plichtsverzuim niet aan betrokkene kan worden toegerekend, was appellant bevoegd hem daarvoor een disciplinaire straf op te leggen.

4.6.

De opgelegde disciplinaire straf van ontslag is, gezien de ernst en de aard van de gedragingen, de betekenis hiervan voor het functioneren binnen de dienst en de terecht gestelde eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid van medewerkers van die dienst, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Appellant kent terecht een groot gewicht toe aan het milieubelang en daarmee aan juiste toepassing van de regels inzake het inzamelen van afval, waarbij hij er zonder meer op moet kunnen vertrouwen dat de eigen medewerkers van de [dienstonderdeel] deze regels niet overtreden. Onder meer door middel van een memo van 2006 heeft appellant aandacht gevraagd voor de integriteitsnormen ten aanzien van het niet volgen van instructies door medewerkers, met name het mee naar huis nemen van spullen. Hieruit is op te maken dat appellant een strikt beleid voerde. Betrokkene heeft in dit verband verklaard dat hij het aan alle medewerkers van het [dienstonderdeel] uitgereikte integriteitsboekje pas gekregen heeft toen hij niet meer werkzaam was bij het [dienstonderdeel] , maar dat hij op de hoogte was van de regels die golden op het [dienstonderdeel] . Onder deze omstandigheden kan niet worden volgehouden dat appellant de oude cultuur heeft laten voortbestaan waarin gedragingen als hier verweten door de leiding werden getolereerd, wat daar verder ook van zij.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

4.8.

De Raad zal het nadere besluit van 23 mei 2017 vernietigen, omdat aan dit besluit de grondslag is komen te ontvallen.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 maart 2016 ongegrond;

- vernietigt het besluit van 23 mei 2017.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en H. Lagas en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2018.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) J. Tuit

HD