Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:442

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
16/1852 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassen kostendelersnorm. Geen tijdelijk hoofdverblijf bij medebewoner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1852 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

3 maart 2016, 15/7852 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 13 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.A. Timmer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Timmer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) in aanvulling op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Appellante stond tot 30 juli 2015 in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Bij appellante woonde haar meerderjarige dochter (dochter) in. De woning op het uitkeringsadres is in april 2015 ontruimd. Daarna heeft appellante met haar dochter onderdak gevonden bij [naam D] (D), met wie appellante een latrelatie had. Appellante heeft zich met ingang van 30 juli 2015 in de BRP ingeschreven op het adres van D aan de [adres 2] te [woonplaats] (adres van D). In januari 2017 heeft appellante een andere woning betrokken.

1.2.

Het college heeft, na een eerdere opschorting, bij besluit van 11 augustus 2015 de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 1 juli 2015 ingetrokken op de grond dat appellante niet tijdig de gevraagde gegevens heeft overgelegd.

1.3.

Bij besluit van 26 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 augustus 2015, onder wijziging van de grondslag van dat besluit, ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante met ingang van 1 juli 2015 op het adres van D kosten kan delen met D en haar dochter, waarmee voor appellante de bijstandsnorm van

€ 595,91 van toepassing is. Omdat dit bedrag lager is dan de arbeidsongeschiktheidsuitkering die appellante maandelijks ontvangt, heeft appellante geen recht meer op bijstand en wordt de bijstand om die reden op grond van artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de PW met ingang van 1 juli 2015 ingetrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft niet onderkend dat de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de verzamelbrief van 19 december 2014 heeft vermeld dat in geval van tijdelijk verblijf elders, het aan gemeenten is om de uitkering af te stemmen op de individuele omstandigheden op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW en dat deze situatie per 1 januari 2015 niet verandert door invoering van de kostendelersnorm. Appellante woonde niet bij D, maar heeft slechts tijdelijk en noodgedwongen met haar dochter bij hem verbleven. Reguliere noodopvang was voor appellante geen optie in verband met het feit dat haar dochter autistisch is, waardoor zij niet kan omgaan met wisselende verblijfplaatsen, wisselende omstandigheden, wisselende medebewoners en de ernstige ziektebeelden van appellante zelf. Appellante heeft hulp bij haar persoonlijke verzorging nodig, wat bij reguliere noodopvang niet of moeilijk geregeld kan worden. Zij heeft tevergeefs verzocht in aanmerking te komen voor speciale opvang voor alleenstaande moeders en heeft zich tevergeefs meermalen bij de gemeente Den Haag gemeld om hulp te krijgen. Appellante en D wensen niet bij elkaar te wonen; dat leidt tot (extreme) conflicten en huiselijk geweld, omdat (ook) D psychische problemen heeft. Ook was de woning van D niet geschikt voor appellante wegens het ontbreken van een traplift, die zij in haar eigen woning wel had. Daarnaast heeft appellante, onder verwijzing naar een beslissing op bezwaar van het college in een andere zaak, een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan, in die zin dat het college in het geval van appellante ten onrechte een termijn van een half jaar heeft gehanteerd voor de beoordeling of al dan niet sprake is van tijdelijk verblijf. Toepassing van de kostendelersnorm leidt bovendien tot een schrijnende situatie, omdat D onder beschermingsbewind staat.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 juli 2015, de datum met ingang waarvan de bijstand van appellante is ingetrokken, tot en met 11 augustus 2015, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand en is met artikel 22a van de PW de kostendelersnorm ingevoerd. In dit geding is van toepassing de tekst van deze bepaling zoals die luidde tot 1 januari 2016. Volgens het eerste lid van deze bepaling is, indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende: ((40% + A x 30%) / A) x B. Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm als bedoeld in het tweede lid.

4.2.2.

Bij toepassing van de kostendelersnorm speelt de aard van het inkomen van elk van de kosten delende medebewoners geen rol. Evenmin is relevant de vraag of die medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. In dit verband wordt verwezen naar vaste rechtspraak (uitspraak van 3 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9386) die ook onder de werking van de PW zijn gelding behoudt. Voorts is in de wetsgeschiedenis nadrukkelijk overwogen dat de voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt, los staan van de redenen waarom men de woning deelt (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16).

4.3.

In de verzamelbrief van 19 december 2014 betreffende Toezegging kostendelersnorm en verschillende woonvormen van de Staatssecretaris van Sociale zaken en Werkgelegenheid, waarop appellante een beroep heeft gedaan, is onder meer het volgende vermeld:

“Voor het vaststellen van de hoogte van de bijstandsnorm moet de woonsituatie worden bepaald. Hierbij speelt onder andere de duur van het verblijf een rol: is er sprake van tijdelijk of duurzaam verblijf? Als er sprake is van tijdelijk verblijf elders, is het aan gemeenten (…) om de uitkering af te stemmen op de individuele omstandigheden (artikel 18, eerste lid, Participatiewet). Deze situatie verandert per 1 januari 2015 niet door invoering van de kostendelersnorm. Bij tijdelijk verblijf in vrouwenopvang of begeleid wonen projecten, zal de kostendelersnorm niet van toepassing zijn, omdat men daar geen hoofverblijf heeft. Het feit dat iemand voor langere tijd in een opvang of begeleid wonen project verblijft, wil niet per definitie zeggen dat de belanghebbende zijn hoofdverblijf daar heeft en de kostendelersnorm van toepassing is. Het is aan gemeenten (…) om aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van een uitkeringsgerechtigde vast te stellen of het gaat om tijdelijk verblijf. Deze beoordeling behoort reeds tot de uitvoeringspraktijk van de Wet werk en bijstand en is dus (…) niet nieuw.”

4.4.

Gelet op wat appellante heeft aangevoerd, is tussen partijen in de eerste plaats in geschil of appellante in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf had op het adres van D dan wel tijdelijk verbleef op dat adres. De vraag of sprake is van een tijdelijk verblijf in dezelfde woning dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden van het geval. De duur van het verblijf is één van de omstandigheden waaruit het hoofdverblijf kan worden afgeleid. Vergelijk de uitspraak van 30 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2117.

4.5.

Vaststaat dat appellante ten tijde van het intrekkingsbesluit van 11 augustus 2015 al meer dan vier maanden in de woning op het adres van D verbleef en niet meer naar de woning op het uitkeringsadres kon terugkeren. Van belang is voorts dat ten tijde van dat besluit geen zicht bestond op een andere oplossing voor de in april 2015 ontstane dakloosheid van appellante dan verblijf in de woning van D. Tot het indienen van een aanvraag om een urgentieverklaring is het niet gekomen, zoals appellante desgevraagd ter zitting van de Raad heeft verklaard, en ook was er geen zicht op noodopvang. Dat het college op dit punt iets te verwijten zou zijn, heeft appellante niet met stukken onderbouwd, nog daargelaten wat dat zou betekenen voor de toepasselijkheid van de kostendelersnorm. Ook is niet gesteld of gebleken dat appellante met D afspraken had gemaakt over de maximale duur van haar verblijf bij hem. Onder deze omstandigheden moet als vaststaand worden aangenomen dat appellante gedurende de te beoordelen periode haar hoofdverblijf op het adres van D had en dat van tijdelijk verblijf van appellante op dat adres geen sprake was.

4.6.

De omstandigheid dat appellante noodgedwongen bij D heeft verbleven, doet er niet aan af dat zij in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf heeft gehad in de woning op het adres van D en is blijkens de wetsgeschiedenis, zoals weergegeven in 4.2.2, niet van belang voor de toepasselijkheid van de kostendelersnorm. Ook de omstandigheid dat appellante, nadat zij haar woning op het uitkeringsadres had (moeten) verlaten, meermalen in het ziekenhuis is opgenomen, hoe belastend dit ook voor appellante zal zijn geweest, maakt niet dat zij niet haar hoofdverblijf op het adres van D had.

4.7.

Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel faalt. Het geval waarop appellante doelt, betrof anders dan het geval van appellante, een aanvraagsituatie met reeds in de aanvraagfase concreet zicht op noodopvang.

4.8.

Dat de bijstand van appellante vanwege een schrijnende situatie afgestemd had moeten worden, heeft appellante niet met financiële gegevens onderbouwd. De omstandigheid dat D onder bewind stond en slechts weinig leefgeld ter beschikking had, zegt op zichzelf niets over de financiële situatie van appellante.

4.9.

Uit 4.5 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en W.F. Claessens en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2018.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C.A.E. Bon

HD