Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:440

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
17/5406 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep in essentie dezelfde gronden als in beroep. Oordeel rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Per 1 januari 2013 is artikel 35ab van de WW in werking getreden. In artikel 130y WW, een dwingendrechtelijke bepaling, is reikwijdte van artikelen 35aa WW en 35ab WW neergelegd. Artikel 35aa van de WW terecht toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5406 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
5 juli 2017, 16/5788 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.S. Pot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2018. Namens appellant is verschenen mr. Pot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 1 februari 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 20 februari 2012 heeft het Uwv appellant toestemming verleend om gebruik te maken van de zogenoemde startersregeling op grond van artikel 77a van de WW in de periode van 30 januari 2012 tot en met 8 juli 2012.

In deze periode is appellant in de gelegenheid gesteld om met behoud van WW-uitkering werkzaamheden te verrichten om zijn bedrijf van start te laten gaan. In het besluit van

20 februari 2012 heeft het Uwv vermeld dat op de WW-uitkering 70% van de inkomsten als zelfstandige in mindering wordt gebracht. Omdat de hoogte van de inkomsten als zelfstandige pas na de startperiode bekend zal zijn, wordt de WW-uitkering in de startperiode uitgekeerd als voorschot.

1.2.

De WW-uitkering van appellant is na het einde van de startperiode met ingang van

9 juli 2012 beëindigd, omdat appellant volledig als zelfstandige werkzaam was.

1.3.

Bij besluit van 28 juni 2016 heeft het Uwv een bedrag van € 13.223,26 bruto teruggevorderd van appellant. Dit bedrag is tot stand gekomen na verrekening van het door appellant ontvangen voorschot tijdens de startperiode met 70% van de inkomsten die appellant gemiddeld per week als zelfstandige heeft verdiend in de periode van

30 januari 2012 tot en met 8 juli 2012. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 17 november 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juni 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant vóór 1 januari 2013 gebruik heeft gemaakt van de startersregeling, namelijk in de periode van
30 januari 2012 tot en met 8 juli 2012. Gelet op artikel 130y van de WW heeft het Uwv terecht de startersregeling als bedoeld in artikel 35aa van de WW toegepast. De toepasselijke wettelijke bepalingen zijn dwingendrechtelijk van aard, zodat het Uwv daarvan niet mocht afwijken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld uitspraak van 10 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1706) bestaat, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van de toepasselijke wetsbepalingen, geen ruimte voor toetsing van het bestreden besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Evenmin is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat strikte toepassing van de dwingendrechtelijke bepalingen zozeer in strijd is te achten met algemene rechtsbeginselen, dat toepassing daarvan daarom geen rechtsplicht meer is. Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is geen sprake, al om die reden dat werknemers die vóór 1 januari 2013 gebruik hebben gemaakt van de startersregeling en werknemers die dat vanaf die datum hebben gedaan, geen gelijke gevallen betreffen, aldus de rechtbank.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat toepassing van het per 1 januari 2013 in werking getreden artikel 35ab van de WW voor hem tot een gunstiger resultaat zou hebben geleid. Appellant vindt het onredelijk dat het Uwv, ondanks dat hij al voor 1 januari 2013 gebruik heeft gemaakt van de zogenoemde startersregeling, in zijn geval niet artikel 35ab van de WW heeft toegepast.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor een weergave van de relevante wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de overwegingen 4.1 tot en met 4.5 van de aangevallen uitspraak. Hieraan wordt het volgende toegevoegd. In artikel 130y van de WW is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:


1. Op de werknemer die voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen O en P van de Wet vereenvoudiging regelingen Uwv met toestemming van het Uwv werkzaamheden als bedoeld in artikel 77a, eerste lid, ging verrichten:
a. blijven artikel 35aa en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van die wet, van toepassing; en
b. is artikel 35ab niet van toepassing.

4.2.

Vastgesteld wordt dat appellant in hoger beroep in essentie dezelfde gronden heeft aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant uitvoerig besproken en heeft genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd. Appellant heeft ter zitting aangevoerd dat hij het onredelijk vindt dat op hem niet het per 1 januari 2013 in werking getreden artikel 35ab van de WW is toegepast. In artikel 130y van de WW is de reikwijdte van de artikelen 35aa van de WW en 35ab van de WW neergelegd. De Wet vereenvoudiging regelingen UWV is per 1 januari 2013 in werking getreden, behoudens enkele hier niet van belang zijnde uitzonderingen. Gelet op artikel 130y, eerste lid, van de WW heeft het Uwv terecht artikel 35aa van de WW toegepast. Artikel 130y van de WW is een dwingendrechtelijke bepaling, zodat het Uwv niet bevoegd is daarvan af te wijken. Voor zover appellant een rechterlijk oordeel over artikel 130y van de WW heeft beoogd, wordt overwogen dat het de rechter op grond van artikel 11 van de

Wet algemene bepalingen niet vrij staat de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. De rechter treedt op grond van artikel 120 van de Grondwet niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1961) houdt deze bepaling ook een verbod in om wetgeving in formele zin te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en staat het de rechter niet vrij te treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht, tenzij sprake zou zijn van “niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden”. Daarvan is in dit geval geen sprake.

4.3.

Uit wat is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Bij deze uitkomst bestaat geen grond voor een veroordeling tot vergoeding van schade.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) N. Veenstra

UM