Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:44

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2018
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
15/5657 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5657 WIA

Datum uitspraak: 3 januari 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 juli 2015, 15/1794 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[werkgeefster B.V.] te [vestigingsplaats] (werkgeefster)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens werkgeefster heeft mr. C.A. van der Steen een schriftelijke uiteenzetting ingezonden.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek. Voor werkgeefster is verschenen mr. Van der Steen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam voor werkgeefster als beveiliger voor 40,88 uur per week, toen hij zich op 6 februari 2010 ziek meldde met een schedelbasisfractuur als gevolg van een val na een epileptische aanval. Op 16 januari 2014 heeft appellant een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Op 30 juli 2014 heeft hij het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellant per 4 februari 2012 vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft daarna op basis van een drietal geselecteerde functies berekend dat appellant met passend werk meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Bij besluit van 22 augustus 2014 heeft het Uwv vervolgens vastgesteld dat appellant met ingang van 4 februari 2012 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 3 februari 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 januari 2015 ten grondslag en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 2 februari 2015.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig geacht en heeft geen aanleiding gezien de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. De rechtbank heeft geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het Uwv de uit zijn lichamelijke en psychische klachten voortvloeiende beperkingen heeft onderschat. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten dan wel veronderstellingen over zijn functioneren. Appellant heeft in dit verband betwist dat hij zelf zijn huishouden doet en gesteld dat hij regelmatig afspraken vergeet. Hij heeft bestreden dat hij tijdens de hoorzitting geen tekenen van agitatie vertoonde en dat zijn aandachtsconcentratie van het begin tot het eind goed te trekken was. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn standpunt dat zijn cognitieve beperkingen zijn onderschat een neuropsychologisch onderzoeksrapport van 3 december 2015 overgelegd. Appellant heeft de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat zijn claudicatioklachten afdoende zouden zijn behandeld met de plaatsing van een stent, weersproken. In dit verband heeft appellant aangevoerd dat de op 28 maart 2012 geplaatste stent onvoldoende heeft gewerkt en hij daarom opnieuw onder controle is gekomen van een vaatchirurg. Appellant heeft in dit verband gesteld dat de gemeente hem een scootmobiel heeft toegewezen. De functie productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie is volgens hem in verband met het risico op een epileptische aanval niet geschikt voor hem. Daarbij heeft hij erop gewezen dat in die functie met machines en messen wordt gewerkt, sprake is van een gladde vloer en wordt gestaan op een smal plateau. Het werk in deze functie overschrijdt volgens hem bovendien zijn belastbaarheid, omdat in de functie 1200 keer per uur tot 50 cm gereikt wordt, terwijl appellant beperkt is tot 600 keer per uur tot 70 cm. Ter zitting is toegelicht dat de overige functies niet geschikt zijn voor hem, als wordt uitgegaan van de door hem voorgestane aanvullende beperkingen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar een rapport van 15 december 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

3.3.

Namens werkgeefster is eveneens bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar een rapport van 6 maart 2017 van medisch adviseur J.M.W.N. Derks.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is de verzekerde gedeeltelijk arbeidsongeschikt als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Dat appellant het niet eens is met de inhoud van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, maakt nog niet dat diens waarneming onjuist is geweest. Daarvoor is geen aanknopingspunt. Geen van beide verzekeringsartsen heeft namelijk psychopathologie of cognitieve stoornissen bij appellant kunnen vaststellen. In verband met enige geheugenklachten ontstaan na de schedelbasisfractuur is appellant beperkt geacht op herinneren en aangewezen op een voorspelbare werksituatie. Er is geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de psychische klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen van appellant daarmee zijn onderschat. Daarbij is verder van belang dat appellant (rond de datum in geding) niet in behandeling was voor psychische klachten. Het beroep ter zitting op wat staat vermeld in een besluit op bezwaar van 28 november 2013 slaagt niet. Daaruit blijkt weliswaar dat appellant op meerdere afspraken niet is verschenen, maar niet vaststaat dat daar een medische reden aan ten grondslag lag.

4.3.

In zijn rapport van 15 december 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd uiteengezet waarom aan de in het neuropsychologisch onderzoeksrapport van

3 december 2015 vastgestelde afwijkingen in deze procedure niet die waarde kan worden toegekend, die appellant daaraan toegekend wenst te zien. Appellant heeft niets gesteld tegenover de daarbij gegeven toelichting dat het onbekend is of validiteitstesten zijn uitgevoerd en dat een test zonder detectietesten onbetrouwbaar is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het verder begrijpelijkerwijs opvallend genoemd dat de neuropsycholoog geen verklaringen biedt voor de gevonden afwijkingen en heeft in dit verband gewezen op na het onder 1.1 vermelde ongeval uitgevoerd neuropsychologisch onderzoek uit 2010 waarbij deze afwijkingen niet zijn vastgesteld. Er is geen twijfel aan dit inzichtelijke gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Die twijfel is er te meer niet omdat de onderzoeker van PDC Haaglanden zijn conclusies met enige voorzichtigheid heeft geformuleerd en zelf ook heeft gewezen op enkele interne inconsistenties.

4.4.

Er is evenmin een aanknopingspunt voor het oordeel dat de lichamelijke klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen van appellant zijn onderschat. De verzekeringsartsen hebben alle lichamelijke klachten van appellant, waaronder de epilepsie en de hart-, schouder-, rug- en beenklachten, bij hun beoordeling betrokken. In verband met de epilepsie is een beperking voor werken op de hoogtes aangewezen en in de FML is opgenomen dat appellant gelet op zijn reukstoornis geen gevaarlijke gassen of dampen ruikt. Appellant is in verband met zijn beenklachten op lopen sterk beperkt geacht en op staan licht beperkt. Deze beperkingen zijn gebaseerd op een in 2014 uitgevoerd lichamelijk onderzoek en afgenomen anamnese waarbij is betrokken dat appellant weer onder controle is komen te staan van een vaatchirurg. Derks heeft er in zijn rapport van 6 maart 2017 terecht op gewezen dat uit het dossier niet kan worden afgeleid hoe ernstig de beenklachten waren op of rond 4 februari 2012. Met Derks wordt vastgesteld dat de aangenomen beperking op lopen past bij de in 2014 anamnestisch beschreven beperking van maximaal 100 tot 150 meter aan een stuk lopen, die van toepassing werd nadat appellant zich had ziek gemeld met beenklachten. Gelet daarop is er (in ieder geval) geen grond voor het oordeel dat in verband met zijn claudicatioklachten op 4 februari 2012 meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen.

4.5.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de belastbaarheid wat betreft reiken in de functie van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie niet wordt overschreden, omdat geen sprake is van reiken boven schouderhoogte, een reikafstand van 50 cm minder belastend is en daarmee compenseert voor de hogere frequentie. Hiermee is voldoende gemotiveerd dat het reiken in deze functie geen overschrijding van de belastbaarheid van appellant oplevert, te meer omdat reiken ook (deels) met links kan. In de functie productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie komt werken op hoogte niet voor. Staan op een plateau is daarmee niet gelijk te stellen. Ook overigens is in de werkomgeving geen sprake van een situatie die gelet op een mogelijke epileptische aanval een verhoogde kans heeft om ernstige schade aan appellant toe te brengen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellant niet beperkt is wat betreft werken met messen en machines.

4.6.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2018.

(getekend) M. Greebe

(getekend) L. Boersma

OS