Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:4328

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
16/6434 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering. Mate van arbeidsongeschiktheid 40,54%. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen is er, zoals ook door de rechtbank overwogen, geen reden om te twijfelen aan de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de geselecteerde functies op de datum in geding in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. De signaleringen van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid zijn door de arbeidsdeskundigen afdoende gemotiveerd toegelicht. Opleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6434 WIA

Datum uitspraak: 24 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

15 september 2016, 15/5057 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Appelman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als internationaal vrachtwagenchauffeur. Hij heeft zich vanuit de situatie van werkloosheid per 7 mei 2013 ziekgemeld, aanvankelijk wegens lichamelijke klachten. Later zijn daar psychische klachten bij gekomen. Op 22 januari 2015 heeft appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend.

1.2.

Bij besluit van 13 maart 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 1 mei 2015 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 40,54%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 14 juli 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Alle klachten die door appellant naar voren zijn gebracht, de eigen bevindingen van de verzekeringsartsen en de informatie van de behandelend sector zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. De medische belastbaarheid van appellant is naar het oordeel van de rechtbank op inhoudelijk overtuigende wijze gemotiveerd. Appellant heeft zijn standpunt in beroep niet met medische, andersluidende informatie onderbouwd, zodat de rechtbank geen aanleiding heeft gezien om te twijfelen aan de belastbaarheid die door de verzekeringsartsen is vastgesteld bij de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 februari 2015. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundigen voldoende hebben gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de vastgestelde medische belastbaarheid niet overschrijdt. De beroepsgrond dat de belastbaarheid op het onderdeel ‘zitten’ wordt overschreden in de functie van boekhouder, loonadministrateur (beginnend) (SBC-code 315040) heeft de rechtbank niet gevolgd, omdat appellant de mogelijkheid heeft om tijdens de werkzaamheden te vertreden. Ook de grond van appellant dat hij niet kan omgaan met computers en geen administratieve ervaring heeft, is door de rechtbank verworpen, omdat de arbeidsdeskundige in zijn rapport heeft beschreven dat appellant beschikt over type- en computervaardigheden en ervaring heeft met tekstverwerking.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat hij verdergaand beperkt is dan door de verzekeringsartsen is aangenomen. Er is onvoldoende rekening gehouden met zijn psychische en fysieke klachten. Appellant gebruikt bovendien medicatie waardoor hij bepaalde werkzaamheden niet kan en/of mag verrichten, zoals het bedienen van machines en autorijden. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij verdergaand beperkt is heeft appellant verwezen naar de brief van zijn huisarts van 3 oktober 2016 en de meegezonden patiëntenkaart en de informatie van verzekeringsarts M.N.G. Ooms van 3 september 2014. Appellant heeft de Raad in hoger beroep verzocht om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen. Daarnaast heeft appellant herhaald dat de functies niet geschikt zijn omdat hij iedere administratieve vooropleiding mist, niet met computers kan werken en op dit gebied geen enkele opleiding heeft. Zonder diploma zal appellant dan ook niet worden aangenomen. Verder is appellant vanwege zijn klachten niet conflictbestendig, kan hij zich slecht concentreren en kan hij niet lang zitten. In het bijzonder is de functie van centralist taxi volgens appellant vanwege die beperkingen niet geschikt.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 februari 2017 en 5 september 2018, en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 februari 2017, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat sprake is geweest van zorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsartsen en dat er geen grond is voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. De rapporten van de verzekeringsartsen geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en de rapporten zijn deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep, onder verwijzing naar de ingebrachte informatie van de huisarts en van verzekeringsarts Ooms, heeft aangevoerd vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. In reactie op de brief van de huisarts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 14 februari 2017 te kennen gegeven dat uit de informatie van de huisarts geen nieuwe, niet eerder bekende noch niet eerder gewogen medische feiten of medische aandoeningen volgen. In de eerdere verslaglegging, zowel door de primaire verzekeringsarts als door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zijn de nu ingebrachte medische gegevens op zorgvuldige wijze onderzocht. De huisarts is verder van mening dat appellant niet kan werken, maar deze weging is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep voorbehouden aan een verzekeringsarts. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 5 september 2018 te kennen gegeven dat de informatie van Ooms geen aanleiding heeft gegeven tot nieuwe gezichtspunten, omdat diverse beperkingen zijn aangenomen waaronder ten aanzien van het gebruik van de rug. Er zijn geen aanknopingspunten om de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. De informatie van Ooms ziet met name op de objectiveerbaarheid van de rugklachten, terwijl dit niet door de verzekeringsartsen is betwist. De stelling van de huisarts dat appellant niet kan werken is niet onderbouwd. Omdat niet getwijfeld wordt aan de juistheid van de vastgestelde medische belastbaarheid, is er geen aanleiding om een medisch deskundige te benoemen.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen is er, zoals ook door de rechtbank overwogen, geen reden om te twijfelen aan de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de geselecteerde functies op de datum in geding in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. De signaleringen van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid zijn door de arbeidsdeskundigen afdoende gemotiveerd toegelicht.

4.4.

Wat betreft het in hoger beroep herhaalde standpunt van appellant dat hij iedere administratieve vooropleiding mist en niet om kan gaan met computers, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 20 februari 2017 afdoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies op dit punt passend zijn. Er wordt in de functies geen specifieke administratieve vooropleiding gevraagd. Appellant heeft als hoogst genoten opleiding de opleiding tot eerste monteur gevolgd. Dit is een opleiding op MBO-3 tot MBO-4 niveau. Daarmee wordt voldaan aan het gevraagde opleidingsniveau van de geselecteerde functies. Wat betreft het standpunt van appellant dat hij onvoldoende ervaring heeft met computers, staat dit de geschiktheid van de functies niet in de weg. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in voornoemd rapport te kennen gegeven dat voor de geselecteerde functies geen specifieke computeropleiding is vereist. Voor zover het gebruik van een computer in de functies noodzakelijk is, geldt dat appellant op grond van artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in staat wordt geacht tot eenvoudig computergebruik of deze bekwaamheden binnen zes maanden te kunnen verwerven. Ten aanzien van de grond dat appellant zonder diploma voor administratieve- en/of computerwerkzaamheden niet wordt aangenomen, wordt overwogen dat het in strijd zou komen met het theoretische karakter van een arbeidsongeschiktheidsschatting om rekening te houden met de kans die appellant heeft om de functies in de praktijk daadwerkelijk te verwerven. Die vraag raakt aan de re-integratie en aan arbeidsmarktfactoren en moet buiten beschouwing blijven bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid.

4.5.

Wat betreft de gronden van appellant met betrekking tot de belasting op concentratie en zitten in de geselecteerde functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 20 februari 2017 overtuigend toegelicht dat appellant niet beperkt is ten aanzien van aspecten die samenhangen met concentratieproblemen (behoudens de beperkingen die samenhangen met medicatiegebruik), zodat appellant niet wordt gevolgd in zijn standpunt dat hij vanwege concentratieproblemen niet in staat zou zijn de geselecteerde functies uit te oefenen. Ook wordt de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gevolgd in zijn standpunt ten aanzien van de beperking op zitten in de functie van boekhouder (SBC-code 315040), dat de werkzaamheden van dien aard zijn dat het heel goed mogelijk is om tijdens het verwerken van facturen even te vertreden door het halen van een kop koffie, een toiletbezoek en dergelijke. Tot slot heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep er terecht op gewezen dat de functie van centralist taxi niet aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag ligt.

4.6.

Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.7.

Nu van een onrechtmatig besluit geen sprake is, wordt het verzoek om schadevergoeding van appellant afgewezen.

4.8.

Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant is geen grond.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van O.V. Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2018.

(getekend) E. Dijt

(getekend) O.V. Vries

RB