Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:4305

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2018
Datum publicatie
11-01-2019
Zaaknummer
17/7317 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan appellante is een verblijfsindicatie toegekend op grond van de Wlz die wordt verzilverd door middel van een pgb. Dit pgb is opgehoogd met een bedrag voor hulp bij het huishouden. MPT is niet aan de orde. Het college heeft terecht beslist niet gehouden te zijn om een maatwerkvoorziening te verstrekken, het college was echter wel bevoegd dat te doen. De Raad begrijpt het bestreden besluit aldus dat het college in hetgeen appellante heeft aangevoerd, zoals samengevat in 3, geen aanleiding ziet om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 te verstrekken. Het college heeft de aangevraagde voorziening hulp bij het huishouden op die grond in redelijkheid kunnen weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/68
RSV 2019/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/7317 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

31 oktober 2017, 16/3125 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam vader] , vader, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018. Namens appellante is [naam vader] verschenen, vergezeld van de cliëntondersteuner [naam] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Velema en drs. W.J.M. Peters.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

CIZ heeft appellante op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de periode van 13 juni 2013 tot en met 12 juni 2028 geïndiceerd voor zorgzwaartepakket (ZZP) VG 07. Op grond van het overgangsrecht heeft zij met ingang van 1 januari 2015 recht op zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Voor de realisering van de geïndiceerde zorg heeft Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. haar een persoonsgebonden budget (pgb) verleend.

1.2.

Bij besluit van 26 februari 2015 heeft het college aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor de periode van 19 juni 2015 tot en met 31 december 2015, 13 uur en 30 minuten per week hulp bij het huishouden verstrekt in de vorm van een pgb.

1.3.

Bij besluit van 11 februari 2016 heeft het college de aanvraag van appellante voor verlenging van de indicatie voor hulp bij het huishouden afgewezen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het geen maatwerkvoorziening hoeft te verstrekken op grond van de Wmo 2015, nu appellante een verblijfsindicatie heeft op grond van de Wlz die wordt verzilverd door middel van een pgb. Dit pgb is opgehoogd met een bedrag voor hulp bij het huishouden.

1.4.

Bij besluit van 22 november 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat, voor zover hier van belang, de wetgever een strikte scheiding tussen de Wlz en de Wmo 2015 heeft beoogd. Wanneer aanspraak gemaakt kan worden op zorg op grond van de Wlz kan geen aanspraak meer worden gemaakt op een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo 2015. De uitzondering van artikel 8.6a van de Wmo 2015 is niet van toepassing. Uit de gegevens die appellante in hoger beroep heeft verstrekt, blijkt niet dat appellante tevens een modulair pakket thuis (MPT) ontvangt. Het college heeft daarom op grond van artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 kunnen afzien van een verlenging en verhoging van een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp per 1 januari 2016. In het dossier zijn geen stukken aangetroffen waaruit blijkt dat appellante in 2015 aanvragen voor een verhoging van de indicatie, dan wel bezwaarschriften tegen de toegekende maatwerkvoorziening heeft ingediend. Ook voor het overige heeft appellante het bestaan van deze aanvragen of bezwaren niet aangetoond.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat een persoon die een pgb ontvangt op grond van de Wlz, ook in aanmerking kan komen voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Appellante stelt dat haar Wlz-zorg wordt geleverd in het kader van een MPT en dat op haar daarom de uitzonderingsbepaling van artikel 8.6a, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 van toepassing is. Zij stelt de zorgvorm behandeling te ontvangen als zorg in natura en de overige vormen van Wlz-zorg als pgb, wat volgens haar maakt dat zij een MPT heeft. Artikel 11.1.9, eerste lid, van de Wlz leidt er volgens haar toe dat dan geen recht bestaat op het schoonhouden van de woonruimte op grond van de Wlz. Appellante heeft verder aangevoerd dat het college niet heeft beslist op het bezwaar dat zij heeft gemaakt tegen het besluit van 26 februari 2015 over het verstrekken van hulp bij het huishouden. Tijdens de herbeoordeling in 2015 is geconstateerd dat het college onjuiste normeringen heeft gehanteerd bij eerdere indicatiestellingen. Deze fout in de indicatiestelling had met terugwerkende kracht moeten worden hersteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande.

4.1.2.

In artikel 8.6a van de Wmo 2015 is het volgende bepaald:

Artikel 2.3.5, zesde lid, geldt tot een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip niet voor daar bedoelde cliënten:

a. die thuis wonen en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel of een woningaanpassing hebben aangevraagd;

b. die zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd;

c. die hun recht op zorg tot gelding brengen met een modulair pakket thuis en een maatwerkvoorziening inhoudende het schoonhouden van hun woonruimte hebben aangevraagd.

4.1.3.

Artikel 3.1.1, eerste lid, onder a, van de Wlz bepaalt dat de prestatie verblijf in een instelling mede het schoonhouden van de woonruimte van de verzekerde omvat.

4.1.4.

Artikel 3.3.2 van de Wlz bepaalt, voor zover van belang:

1. De Wlz-uitvoerder laat, op aanvraag van de verzekerde en onverminderd het derde, vierde en achtste lid, zorg in natura leveren zonder dat de verzekerde in een instelling verblijft, door middel van:

(…)

b. een modulair pakket thuis, bestaande uit één of meer losse vormen van zorg als bedoeld in artikel 3.1.1.

(…)

4. De Wlz-uitvoerder overlegt met de verzekerde of zijn vertegenwoordiger over de samenstelling van het modulair pakket thuis en verleent dat pakket tenzij:

a. de verzekerde of zijn vertegenwoordiger een zodanige samenstelling van het modulair pakket thuis verlangt, dat de zorg waarop de verzekerde krachtens zijn indicatiebesluit is aangewezen, volgens de Wlz-uitvoerder niet verantwoord of doelmatig zal kunnen worden verleend, of

b. de totale kosten ervan of, indien de verzekerde naast het modulair pakket thuis ook een persoonsgebonden budget ontvangt of wenst te ontvangen, de totale kosten van dat pakket en het budget tezamen, meer zouden bedragen dan het bedrag dat de verzekerde als persoonsgebonden budget zou worden verleend indien hij geen modulair pakket thuis zou ontvangen.

5. Voordat een besluit op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt genomen, kan de verzekerde of zijn vertegenwoordiger de Wlz-uitvoerder een persoonlijk plan overhandigen, waarin de verzekerde of zijn vertegenwoordiger de door hem beoogde samenstelling van het modulair pakket thuis schetst. De Wlz-uitvoerder brengt de verzekerde of zijn vertegenwoordiger van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hem gedurende zeven dagen na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen.

6. Indien de verzekerde of zijn vertegenwoordiger een persoonlijk plan als bedoeld in het vijfde lid aan de Wlz-uitvoerder heeft overhandigd, betrekt de Wlz-uitvoerder dat plan bij het nemen van het besluit op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg op grond van de Wlz.

4.3.

De grond dat appellante een beroep toekomt op artikel 8.6a, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 slaagt niet. Nu het hier gaat om een uitzonderingsbepaling op artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 ligt het op de weg van de persoon die zich daarop beroept om aannemelijk te maken dat hij zorg in natura krijgt geleverd door middel van een MPT. Appellante is hierin niet geslaagd. Uit artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wlz volgt dat zorg in natura door middel van een MPT wordt geleverd op grond van een daartoe strekkende aanvraag. Op een dergelijke aanvraag wordt, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.3.2, vijfde lid van de Wlz, door de Wlz-uitvoerder bij besluit beslist. Appellante heeft een dergelijk besluit niet overgelegd en ter zitting heeft appellante verklaard ook niet over een dergelijk besluit te beschikken. De enkele verwijzing van appellante naar

e-mailberichten van 29 maart 2016 en 12 april 2016, is dan ook onvoldoende. Nu het beroep van appellante op artikel 8.6a, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 niet slaagt, is het bepaalde op artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 op haar van toepassing.

4.4.

In zijn uitspraak van 19 december 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3933) heeft de Raad ter verduidelijking en in aanvulling op zijn uitspraak van 23 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1525, overwogen dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om een duidelijke scheiding in zorg en verantwoordelijkheid aan te brengen tussen de Wlz en de Wmo 2015. In de Wmo 2015 is dit tot uitdrukking gebracht in artikel 2.3.5, zesde lid, dat

– kort gezegd – bepaalt dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz of daarvoor in aanmerking zou kunnen komen. Is aan de toepassingsvoorwaarden van dit artikellid voldaan dan is het college, behoudens het bepaalde in artikel 8.6a van de Wmo 2015, niet gehouden om een maatwerkvoorziening te verstrekken. De bevoegdheid om aan een cliënt die aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz, dan wel daarop aanspraak zou kunnen maken, een maatwerkvoorziening te verstrekken, is de gemeentebesturen echter niet ontzegd.

4.5.

Uit 4.2 volgt dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 is voldaan. Het college heeft daarom terecht beslist niet gehouden te zijn om een maatwerkvoorziening te verstrekken. Het college was echter wel bevoegd om een maatwerkvoorziening te verstrekken. Het college heeft voor het uitoefenen van die bevoegdheid, in aanmerking genomen artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015, een zeer ruime beslissingsruimte. Indien het tot een geschil over de toepassing van deze bevoegdheid komt zal de bestuursrechter beoordelen of het college, bij afweging van de rechtstreeks betrokken belangen, in redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen

4.6.

De Raad begrijpt het bestreden besluit aldus dat het college in hetgeen appellante heeft aangevoerd, zoals samengevat in 3, geen aanleiding ziet om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 te verstrekken. Het college heeft de aangevraagde voorziening hulp bij het huishouden op die grond in redelijkheid kunnen weigeren. De Raad realiseert zich dat hierover onder de Wmo en de AWBZ anders werd geoordeeld (vergelijk de uitspraak van de Raad van 23 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1525), maar acht dit, gezien de op dit punt duidelijke bedoeling van de wetgever van de Wlz en de Wmo 2015, onvoldoende voor een andere beoordeling.

4.7.

Voor zover appellante gronden heeft aangevoerd over de door het college verstrekte hulp bij het huishouden voor het jaar 2015 komt de Raad aan een beoordeling daarvan niet toe, nu dit de omvang van dit geding, dat gaat over de hulp bij het huishouden voor het jaar 2016, te buiten gaat.

4.8.

Gelet op het hiervoor overwogene slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking. Het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2018.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) G.D. Alting Siberg

TM