Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:416

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
16/1318 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering na laattijdige aanvraag. Het Uwv heeft geen zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de vraag of en zo ja, wanneer appellant de wachttijd heeft volgemaakt, terwijl evenmin is beoordeeld in hoeverre appellant per einde wachttijd arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. De Raad draagt het Uwv op de gebreken in het besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2018-0023
RSV 2018/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1318 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 januari 2016, 14/7223 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 2 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is [in] 1998 als beroepsmilitair voor een bepaalde tijd van acht jaar gaan werken bij het Ministerie van Defensie. In juni 2003 is hem een motorongeval overkomen, waarna hij met diverse klachten is uitgevallen voor zijn werk. Per 1 juni 2005 is hij blijvend ongeschikt geacht voor militaire dienst. Zijn aanstelling is geëindigd op

21 september 2006. Daarna is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, heeft hij af en toe via een uitzendbureau gewerkt en heeft hij een schadevergoeding van Loyalis en een uitkering van het Ministerie van Defensie ontvangen. In 2010 liep hij een sleutelbeenbreuk (links) op. Van 28 november 2011 tot en met 9 december 2011 is appellant opgenomen geweest in een detoxkliniek in verband met alcohol-abusis. In maart 2013 is appellant aangemeld bij de Basis, een instelling voor maatschappelijk werk.

1.2.

Appellant heeft op 21 maart 2013 een (laattijdige) aanvraag, gedateerd 29 januari 2013, ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

(Wet WIA). Daarbij heeft appellant gemeld dat hij op 6 april 2005 voor het eerst niet kon werken door ziekte. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft dossiergegevens en ontvangen gegevens beoordeeld. Ook heeft deze arts een oriënterend psychiatrisch en lichamelijk onderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft de belastbaarheid van appellant bepaald per

21 maart 2012, één jaar voor datum aanvraag, waarbij is overwogen dat de late aanvraag geen medische redenen heeft. De verzekeringsarts heeft benutbare mogelijkheden aangenomen met beperkingen als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Er is volgens de verzekeringsarts sprake van als mild in te schatten concentratieproblemen. Appellant is aangewezen geacht op werk waarbij hij niet wordt afgeleid door activiteiten van anderen en werk zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen. Hij is beperkt voor conflicthantering, kan geen zware beschermende middelen dragen aan nek en lage rug en hij kan met de dominante linkerarm geen werkzaamheden boven schouderniveau verrichten. De verzekeringsarts heeft de beperkingen vastgelegd in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 10 januari 2014. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 22 januari 2014 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 21 maart 2012 geen recht op een uitkering op grond van de

Wet WIA is ontstaan, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, te weten 5,79%. Onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd bij het besluit van 3 november 2014 (bestreden besluit). Daaraan is ten grondslag gelegd, dat de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding hebben gegeven om verdergaande beperkingen aan te nemen dan verwoord in de FML van 10 januari 2014. Weliswaar heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep één van de eerder geselecteerde functies laten vervallen, maar het arbeidsongeschiktheidspercentage per

21 maart 2012 is onveranderd 5,79.

2.1.

Tegen het bestreden besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank. Ter onderbouwing van zijn beroep heeft hij een brief van GGZ Centraal van 18 maart 2015 en een ongedateerd psychologisch onderzoeksrapport van GGZ Centraal met betrekking tot een neuropsychologisch onderzoek op 23 en 26 januari 2015 overgelegd, waarin onder meer is vermeld dat er sprake is van een aandachtstekortstoornis, gecombineerde type, een cognitieve stoornis, een persoonlijkheidsstoornis en problemen in de primaire steungroep en op sociaal maatschappelijk gebied.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsartsen van het Uwv een zorgvuldig onderzoek hebben verricht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is geweest en heeft daarbij betrokken dat in de FML beperkingen zijn aangenomen in verband met psychische beperkingen van appellant, zoals de aandachtstekortstoornis. De rechtbank heeft geen onafhankelijke deskundige ingeschakeld. Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat appellant de werkzaamheden behorende bij de voor hem geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten. De mate van arbeidsongeschiktheid is minder is dan 35%, zodat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering.

3.1.

In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Naar zijn mening is hij sinds zijn motorongeval in 2003 of in ieder geval sinds 6 april 2005 volledig arbeidsongeschikt door beperkingen op persoonlijk, sociaal, dynamisch en energetisch gebied. Er is naar zijn mening geen sprake van verwijtbaarheid voor de te late aanvraag. Hij heeft ernstige rugpijn, nekpijn en knieklachten, waardoor hij sterk beperkt is voor duwen, trekken, tillen, dragen, reiken, strekken, buigen, door de knieën gaan en hurken. Daarnaast is er sprake van een ernstige depressie. Dit heeft gevolgen voor zijn aandachtsverdeling, verwerkingssnelheid (werktempo), concentratie, geheugen en het zelfstandig taken uitvoeren, wat duidelijk was tijdens de hoorzitting bij het Uwv. Het Uwv heeft de door appellant ingebrachte medische informatie niet kenbaar inhoudelijk en op juiste wijze bij de beoordeling betrokken. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de al in beroep ingebrachte brief van GGZ Centraal van 18 maart 2015. Verder is nogmaals verwezen naar het door GGZ Centraal verrichte neuropsychologisch onderzoek van 23 en 26 januari 2015, waarin volgens appellant zijn geringe belastbaarheid wordt benadrukt. Het totaal IQ tussen de 69 en 79 ligt lager dan het behaalde opleidingsniveau. Weliswaar zijn deze onderzoeken van na de datum in geding, maar de daarin genoemde klachten en beperkingen spelen al langer. Omdat de curatieve sector en de artsen van het Uwv sterk van mening verschillen acht appellant een onderzoek door een onafhankelijke deskundige onvermijdelijk.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daarbij is door een verzekeringsarts bezwaar en beroep gewezen op inconsistenties, omdat appellant vage antwoorden geeft op concrete vragen, wat onvoldoende verklaarbaar is uit de psychologische onderzoeken. Er zijn aanwijzingen voor onderpresteren tijdens de test. Ten tijde van het onderzoek door een verzekeringsarts van 13 januari 2014 is een milde concentratiestoornis beschreven, waarmee rekening is gehouden in de FML. Ook uit de brief van GGZ Centraal van 18 maart 2015 en het ongedateerde rapport van een neuropsychologisch onderzoek op

23 en 26 januari 2015 blijkt geen ernstige stoornis.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals onder 1.2 is weergegeven heeft appellant in zijn aanvraag gemeld dat hij op 6 april 2005 voor het eerst niet kon werken door ziekte. In hoger beroep is in dat kader naar voren gebracht dat appellant naar zijn mening sinds zijn motorongeval in 2003 of in ieder geval sinds 6 april 2005 volledig arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 13 januari 2014 vermeld dat de volgende vragen dienen te worden beantwoord:

“Is de (veel) te late WIA-aanvraag verwijtbaar? Zo ja, dan dient de belastbaarheid per 21 maart 2012 bepaald te worden (zijnde één jaar voor datum aanvraag). Zo nee, dan dient de belastbaarheid per 4 april 2007 (einde wachttijd) bepaald te worden”.

Laatstgenoemde datum is gerelateerd aan een door de verzekeringsarts genoemde arbeidsongeschiktheidsmelding op 6 april 2005. Deze datum is ook in de WIA-aanvraag door appellant genoemd. Vervolgens is overwogen:

“De late aanvraag komt voort uit onwetendheid, heeft geen direct medische reden, zodoende dient de belastbaarheid per 21 maart 2012 bepaald te worden (waar die overigens arbitrair ongeveer overeenkomt met de belastbaarheid rond datum einde wachttijd minus de beperkte armfunctie links die pas in 2010 optrad)”.

De verzekeringsarts heeft vervolgens een FML opgesteld, die ziet op de datum 21 maart 2012. De arbeidsdeskundige heeft deze datum vervolgens als uitgangspunt genomen voor de arbeidskundige beoordeling.

4.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 26 september 2014 als datum in geding 4 april 2007 genoemd, onder de toevoeging “einde wachttijd”. Ook in zijn rapport van 9 november 2015 is als datum in geding 4 april 2007 vermeld. Hij heeft geen aanleiding gezien de FML te herzien. Ter zitting is hierover naar voren gebracht dat de datum in geding 21 maart 2012 is, hoewel dit niet de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is. Uitgangspunt voor de beoordeling door het Uwv is geweest de dag die één jaar voor de datum van de aanvraag is gelegen, aldus de gemachtigde van het Uwv ter zitting.

4.3.

De Raad stelt vast dat het Uwv aldus heeft verzuimd de aanspraken van appellant op een WIA-uitkering inhoudelijk te beoordelen aan de hand van een zorgvuldig onderzoek naar de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de datum waarop het einde van de wachttijd (mogelijkerwijs) is bereikt. Er is geen FML per die datum opgesteld en evenmin is bezien of de geselecteerde functies per die datum van toepassing waren. Eerst indien en voor zover er met ingang van het bereiken van een einde wachttijd recht bestaat op een WIA-uitkering en dat recht onverkort is blijven bestaan, dient vervolgens te worden beoordeeld of er op grond van artikel 64, eerste lid, van de Wet WIA sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan het Uwv bevoegd is de WIA-uitkering eerder dan een jaar voor de datum van de aanvraag te laten ingaan. Rechtspraak als de uitspraak van de Raad van 22 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1581, zoals die gold onder de Wajong 2010, kan niet naar analogie worden toegepast, omdat het systeem van de Wet WIA niet vergelijkbaar is met de Wajong 2010.

4.4.

Nu het Uwv geen zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld naar de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de vraag of en zo ja, wanneer appellant de wachttijd heeft volgemaakt, terwijl evenmin is beoordeeld in hoeverre appellant per einde wachttijd arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA, is sprake van gebreken in het bestreden besluit. Het besluit berust op onvoldoende onderzoek en bevat een gebrekkige motivering, zodat het besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv opdracht te geven deze gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 3 november 2014 te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R.A. Bakker als voorzitter en A.I. van der Kris en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2018.

(getekend) R.A. Bakker

(getekend) R.H. Budde

KS