Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:410

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
16/2979 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:1713, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermogensonderzoek in strijd met discriminatieverbod in verband met ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit. Opgevraagde gegevens blijven ook buiten aanmerking. Het betreft "verboden vruchten".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2979 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 maart 2016, 15/5611 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

Datum uitspraak: 13 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Çakal, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Çakal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.H.H. Ligtenberg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 17 augustus 2010 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.1.

In het kader van het project ‘Vermogen in het buitenland’ (project) heeft een handhavingsspecialist van het team Fraudebestrijding van de gemeente Tilburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De handhavingsspecialist heeft daarbij gebruik gemaakt van de bevindingen van Bureau Buitenland en de door dit bureau ingeschakelde diensten van juridisch bureau [bureau] van [naam] ( [X] ), advocaat te Turkije. Uit de bevindingen van het door [naam] uitgevoerde onderzoek in Turkije, zoals neergelegd in een rapportage van 6 september 2014, blijkt dat appellante in het Kadastraal Register van het district [district] , provincie [provincie] , sinds 20 oktober 2011 als eigenaar staat geregistreerd van een woning, nr. [nummer 1] , op het adres [adres] , in genoemd register bekend als grondstuk [nummer 2] , [perceel] in de wijk [wijk] . Een lokale makelaar in Turkije heeft op 18 augustus 2014 de actuele waarde van de woning getaxeerd op TL 75.000 (omgerekend circa € 26.785,-).

1.2.2.

Bij brief van 23 januari 2015 heeft het college, onder verwijzing naar de onderzoeksbevindingen van [naam] , appellante uitgenodigd voor een gesprek met de handhavingsspecialist op 17 februari 2015. In deze uitnodiging heeft het college appellante verzocht een aantal nader genoemde bescheiden aan te leveren met betrekking tot de woning en daarmee verband houdende gegevens te verstrekken, waaronder de originele (en vertaalde) op naam gestelde notariële akte waarin het bezit van de woning vermeld staat (tapu senedi), gegevens over de wijze van financiering en het aankoopbedrag van de woning, een actuele waardebepaling door een makelaar/taxateur, gegevens over de kosten verbonden aan de eigendom van de woning, gegevens over eventuele huurinkomsten en bankgegevens van de Nederlandse en Turkse bankrekeningen van appellante. Appellante is verschenen en heeft verschillende stukken overgelegd, waaronder een tapu senedi van de woning waaruit volgt dat deze sinds 27 juli 2006 op naam van appellante staat en een taxatie van de woning door een makelaar van 3 februari 2015. Tijdens het gesprek op 17 februari 2015 heeft appellante onder meer verklaard, dat de woning tijdens het huwelijk met haar ex-echtgenoot is aangekocht, dat zij niet precies weet wanneer de woning is gekocht, dat zij en haar ex-echtgenoot er zelf nooit in hebben gewoond, dat de woning op naam stond van haar ex-echtgenoot en deze na de echtscheiding in Nederland in 2006 op naam van appellante is gezet en dat in Turkije nog geen echtscheidingsprocedure heeft plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 23 februari 2015.

1.3.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluiten van

3 maart 2015 en 19 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 juli 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 17 augustus 2010 in te trekken en de over de periode van 17 augustus 2010 tot en met 31 januari 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 65.528,83 van appellante terug te vorderen. Aan het bestreden besluit, voor zover van belang, heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Appellante beschikt vanaf aanvang van de bijstand over vermogen in de vorm van een woning in Turkije. Appellante heeft geen melding gemaakt bij het college van het vermogen en daardoor de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. De op 18 augustus 2014 getaxeerde waarde van de woning van € 26.785,- gaat de voor appellante geldende vermogensgrens te boven. Het recht op bijstand is per 17 augustus 2010 niet vast te stellen. Appellante heeft niet aangetoond dat zij, indien zij bij aanvang van de bijstand het vermogen had gemeld, wel recht op bijstand zou hebben gehad.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 17 augustus 2010, de datum van de intrekking, tot en met 3 maart 2015, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Appellante heeft als meest vergaande grond aangevoerd dat het college met het uitgevoerde onderzoek in het kader van het project een ongeoorloofd onderscheid heeft gemaakt naar nationaliteit door het onderzoek te beperken tot bijstandsgerechtigden van Turkse nationaliteit. Daarmee is in strijd gehandeld met het discriminatieverbod. Gewichtige redenen die het onderscheid rechtvaardigen ontbreken. De bevindingen uit het in Turkije verrichte onderzoek mogen niet aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd en dit geldt eveneens voor de bevindingen uit het daarop gebaseerde nader onderzoek.

4.3.

De Raad heeft in zijn uitspraken van 12 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4324, ECLI:NL:CRVB:2017:4326 en ECLI:NL:CRVB:2017:4327, over het onder 1.2.1 bedoelde project geoordeeld dat daarmee het onderzoek is beperkt tot bijstandsgerechtigden met de Turkse nationaliteit en is gehandeld in strijd met het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Raad ziet in het onderhavige geval geen grond anders te oordelen. Dit betekent dat de bevindingen uit het in Turkije verrichte onderzoek niet als bewijs aan de besluitvorming ten grondslag mogen worden gelegd. Aangezien het vervolgonderzoek van de handhavingsspecialist, in de vorm van het opvragen van gegevens bij appellante en het gesprek op 17 februari 2015, uitsluitend een vervolg is op en onlosmakelijk is verweven met de bevindingen van het onrechtmatige onderzoek naar vermogen van appellante in Turkije, mogen ook de bevindingen uit dat nader onderzoek niet als bewijs aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het bestreden besluit niet op een voldoende feitelijke grondslag berust omdat deze feitelijke grondslag uitsluitend is gebaseerd op de gegevens verkregen uit het onder 4.3 bedoelde onderzoek. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

4.5.

De rechtbank heeft wat onder 4.4 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen.

4.6.

De volgende vraag is welk gevolg hieraan moet worden gegeven. Het college heeft ter zitting verzocht om, als de Raad zou oordelen dat de bevindingen uit het in Turkije verrichte onderzoek onrechtmatig zijn verkregen, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De Raad beschikt daarvoor, gelet op het feit dat het onrechtmatig verkregen bewijs niet aan de besluitvorming ten grondslag mag worden gelegd, over onvoldoende gegevens. De Raad ziet evenmin mogelijkheden om zelf in de zaak te voorzien.

4.7.

Uit het verzoek van het college om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten volgt dat het college de besluitvorming op een andere feitelijke grondslag wil handhaven. Niet valt uit te sluiten dat dit mogelijk is. Dat het onrechtmatig verkregen bewijs niet aan de besluitvorming ten grondslag mag worden gelegd, laat onverlet dat het college op grond van zijn algemene onderzoeksbevoegdheid, zoals neergelegd in artikel 53a van de PW, ook in dit individuele geval alsnog kan verifiëren en daartoe onderzoek kan (laten) verrichten of appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt van vermogen in Turkije (zie de uitspraak van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3161). Het college heeft in dit verband gewezen op de door appellante verstrekte informatie in het kader van een nieuwe aanvraag om bijstand, waarvoor zij zich bij het college heeft gemeld op 10 maart 2015. Daarbij zal het college zich ook een oordeel dienen te vormen over wat appellante in de hier niet besproken gronden heeft aangevoerd over de omvang van haar vermogen. Aanleiding bestaat daarom het college op te dragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 3 maart 2015 en

19 maart 2015, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

4.8.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Raad verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep, in totaal € 2.004,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 3 juli 2015;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen de besluiten van 3 maart

2015 en 19 maart 2015 te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat tegen het te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.004,-;

- bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en M. Hillen en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2018.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD