Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:407

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
16/7743 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand op de grond dat appellant niet meer woonde op uitkeringsadres. Voldoende feitelijke grondslag. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7743 PW, 17/6470 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

2 november 2016, 16/5376 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

Datum uitspraak: 13 februari 2018

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een nader besluit van 5 september 2017 ingezonden. Bij brief van 24 oktober 2017 heeft het college een nader standpunt ingenomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2017. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. L.J.A. Edelaar.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde in geding bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Als postadres maakte hij gebruik van het adres van de maatschappelijke opvang voor dak- en thuislozen, [adres 1] te [plaatsnaam 1]. Nadat op 1 oktober 2015 een brief van het college geadresseerd aan het postadres van appellant retour is gekomen, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellant. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat appellant sinds 30 september 2014 niet meer bij de maatschappelijke opvang voor dak- en thuislozen was geweest.

1.2.

Bij besluit van 13 oktober 2015 heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2015 opgeschort. Het college heeft appellant in de gelegenheid gesteld om vóór 20 oktober 2015 een aantal bewijsstukken over te leggen, waaronder namen en adressen van personen waar hij onderdak heeft en bewijsstukken waaruit blijkt dat hij woningzoekende is. Het college heeft appellant erop gewezen dat, indien hij geen of onvoldoende gevolg zou geven aan het verzoek om informatie, de bijstand zou worden beëindigd.

1.3.

Appellant heeft nagelaten binnen de daartoe gestelde termijn de onder 1.2 gevraagde informatie te verstrekken. Daarop heeft het college bij besluit van 12 november 2015 de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2015 heeft ingetrokken.

1.4.

Bij besluit van 7 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 november 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het opschortingsbesluit van 13 oktober 2015 niet op de juiste wijze bekend is gemaakt en dat het college als gevolg daarvan appellant niet in de gelegenheid heeft gesteld het verzuim te herstellen, zodat appellant geen verwijt kan worden gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat het college niet bevoegd was de bijstand van appellant op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW in te trekken.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het college geen uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak.

4. Het college heeft, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, bij besluit van 5 september 2017 (nader besluit) opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 12 november 2016 beslist en de intrekking van bijstand met ingang van 1 oktober 2015 gehandhaafd. Aan het nader besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen informatie te verstrekken over zijn feitelijke verblijfplaats.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nader besluit wordt, op de voet van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

Hoger beroep

5.2.

De Raad overweegt allereerst, ambtshalve, dat appellant geen (proces) belang heeft bij de beoordeling van de aangevallen uitspraak. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Nader besluit

5.3.

Bij brief van 24 oktober 2017 heeft het college met betrekking tot het nader besluit betoogd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting met betrekking tot zijn woon- en verblijfplaats onvoldoende is nagekomen, waardoor het recht op bijstand niet langer kon worden vastgesteld. De intrekking van de bijstand met ingang van 1 oktober 2015 moet daarom worden gebaseerd op artikel 54, derde lid, van de PW.

5.4.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

5.5.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Indien betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate, belanghebbende recht op bijstand heeft.

5.6.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij - in ieder geval per 1 oktober 2015 - verbleef bij een kennis op het [adres 2] te [plaatsnaam 2] (opgegeven verblijfsadres). Het college heeft vervolgens een nader onderzoek ingesteld om duidelijkheid te verkrijgen over de verblijfplaats van appellant vanaf 1 oktober 2015. In dat kader heeft het college onder meer de basisregistratie personen geraadpleegd. Hieruit is naar voren gekomen dat appellant tot 31 januari 2017 ingeschreven stond op het [adres 3] te [plaatsnaam 3]. Uit eerder onderzoek was echter gebleken dat appellant vanaf januari 2015 niet meer daadwerkelijk op dit adres verbleef. Voorts heeft het college vergeefs verscheidene malen getracht telefonisch contact met appellant op te nemen - met achterlating van een ingesproken bericht - en is onderzoek verricht naar het door appellant in hoger beroep opgegeven verblijfsadres. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat de huurcontracten van de flat aan de [adres 2] per 1 april 2015 zijn beëindigd. In een brief van de projectbegeleider sloopwerkzaamheden van

9 oktober 2015 is nadere informatie verstrekt over de sloopwerkzaamheden. Hierbij is vermeld dat het betreffende terrein is afgezet met hekken en dat is gestart met asbestsanering en sloop van de woningen.

5.7.

Ter zitting heeft appellant nader toegelicht dat hij vanaf 1 oktober 2015 vier dagen op het opgegeven verblijfsadres heeft verbleven, dat vanaf dat moment de sloopwerkzaamheden zijn gestart en dat hij vervolgens een zwervend bestaan heeft geleid. Reeds gelet op het feit dat met ingang van 1 april 2015 het huurcontract van het opgegeven verblijfsadres is beëindigd en het terrein was afgezet met een hekwerk, is het niet aannemelijk dat appellant op dit adres heeft verbleven. Appellant heeft voorts zijn stelling dat hij vanaf 4 oktober 2015 een zwervend bestaan heeft geleid op geen enkele wijze onderbouwd met objectieve gegevens.

5.8.

Gelet op gelet op 5.6 en 5.7 heeft appellant onvoldoende duidelijkheid verschaft over zijn daadwerkelijke feitelijke woon- en verblijfsituatie en heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet langer kon worden vastgesteld. Het college was dan ook gehouden om op grond van artikel 54, derde lid, van de PW de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2015 in te trekken. De Raad ziet hierin aanleiding om het gebrek in het nader besluit - zoals vermeld onder 5.2 - met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren en het besluit in stand te laten. Niet is gebleken dat appellant daardoor is benadeeld.

6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in verband met door appellant gemaakte reiskosten in hoger beroep van in totaal € 18,60.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 september 2017 ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een

bedrag van € 18,60.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2018.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) J. Tuit

HD