Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:405

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
16/857 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De zorg van appellant voor een herbeoordeling met terugwerkende kracht, leidt niet tot een andere conclusie. De beëindiging van een uitkering na een herbeoordeling zal in beginsel niet met terugwerkende kracht plaatsvinden en appellant is inmiddels in aanmerking gebracht voor een WGA‑loonaanvullingsuitkering. Overigens kan ook in een IVA‑situatie een herbeoordeling plaatsvinden. De Raad is van oordeel dat appellant op grond van artikel 21 van de ZW voor de toepassing van hoofdstuk II van die wet, niet als verzekerd voor die wet wordt beschouwd omdat hij op die datum een uitkering op grond van de Wet WIA ontving. De uitkering is dus terecht beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 857 WIA, 16/859 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

22 december 2015, 15/1543 en 15/1544 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 1 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.W. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere medische informatie overgelegd.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jansen en [naam]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. Het onderzoek ter zitting is geschorst om de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv nader te laten rapporteren.

Het Uwv heeft een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellant is per 27 mei 2014 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia). De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80-100%. De beëindiging van de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per 18 december 2014 is gehandhaafd omdat appellant niet verzekerd is voor die wet.

In reactie hierop heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat zijn arbeidsongeschiktheid duurzaam is en dat hij in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 juli 2017, zijn standpunt dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid gehandhaafd.

Vervolgens heeft appellant opnieuw gereageerd.

Appellant is vanaf 29 september 2014 in aanmerking gebracht voor een WGA‑loonaanvullingsuitkering

Partijen hebben afgezien van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de relevante feiten verwijst de Raad naar overweging 2 en naar de rubriek Procesverloop van de aangevallen uitspraak.

2. Gelet op de beslissing op bezwaar van 13 juni 2017, heeft het Uwv zijn beslissing op bezwaar van 6 februari 2015 (bestreden besluit 1) niet langer gehandhaafd. Het beroep daartegen is dus gegrond. Bestreden besluit 1 en de aangevallen uitspraak dienen te worden vernietigd.

3. Nu met het besluit van 13 juni 2017 (bestreden besluit 2) niet geheel aan het bezwaar van appellant tegemoet is gekomen, zal de Raad tevens een oordeel geven over dat besluit.

4.1.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant op 27 mei 2014 moet worden geacht duurzaam te zijn, zodat hij op grond van
artikel 47 van de Wet WIA met ingang van die datum recht heeft op een IVA‑uitkering, in plaats van een WGA‑loonaanvullingsuitkering.

4.2.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet alleen volledig maar ook duurzaam arbeidsongeschikt is. Hij heeft er daarbij op gewezen dat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gedurende de gehele procedure ongewijzigd is gebleven. Hij heeft tevens zijn zorg uitgesproken over een nieuwe herbeoordeling met terugwerkende kracht.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 28 juli 2017 uiteengezet welke behandeling appellant nog kan volgen en voor welke items van de Functionele Mogelijkhedenlijst dit tot verbetering kan leiden.

4.4.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.5.

Bij het onderzoek naar de duurzaamheid van een volledige arbeidsongeschiktheid dient de verzekeringsarts volgens het Uwv het door het Uwv vastgestelde beoordelings‑kader te hanteren, genaamd “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (het beoordelingskader). Ingevolge dit beoordelingskader worden arbeidsbeperkingen duurzaam genoemd:

1. als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of

2. als verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten.

Voorts bevat het beoordelingskader het volgende:

“De verzekeringsarts spreekt zich uit over de prognose van de arbeidsbeperkingen van cliënt, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment van de beoordeling. De verzekeringsarts doorloopt hierbij de volgende stappen:

Stap 1: De verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van:

a. een progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden of

b. een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden.

Stap 2: Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten beoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht. De verzekeringsarts gaat na of één van de volgende twee mogelijkheden aan de orde is:

a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden;

b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.

Als voor de keuze tussen 2.a en 2.b doorslaggevende argumenten ontbreken gaat de verzekeringsarts uit van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden.

Stap 3: Als in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht (2.b is van toepassing) beoordeelt de verzekeringsarts of en zo ja in hoeverre die na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht. Ook nu zijn er twee mogelijkheden:

a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden; dit is alleen het geval als van een behandeling vaststaat dat die eerst op langere termijn kan zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid;

b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten: alle overige gevallen.”

4.6.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896, geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Over het gehanteerde beoordelingskader met het daarin vermelde stappenplan heeft de Raad geoordeeld dat dit niet in strijd komt met een juiste uitleg van artikel 4 van de Wet WIA.

4.7.

De Raad is van oordeel dat de arbeidsbeperkingen van appellant op 27 mei 2014 niet als duurzaam kunnen worden aangemerkt. De Raad verwijst in dit verband naar het rapport van 28 juli 2017 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit de in het dossier beschikbare medische informatie over de gezondheidstoestand van appellant is niet af te leiden dat er op 27 mei 2014 geen verbetering van de arbeidsbeperkingen te verwachten viel. De verzekeringsarts heeft appellant gezien op het spreekuur en psychisch onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant gezien op de hoorzitting. Uit de door hen opgemaakte rapporten blijkt niet van dusdanig ernstige klachten dat geen verbetering mogelijk is. Ook de informatie van Dimence wijst niet in die richting. Hetzelfde geldt voor de informatie van VGGNet. In de brief van VGGNet van 12 april 2016 gesproken over in te zetten valide diagnostiek en behandeling; appellant zet zich ook in voor herstel en in de brief van 14 april 2017 staat dat appellant vooruitgang boekt en in de toekomst wel kan werken.

4.8.

De zorg van appellant voor een herbeoordeling met terugwerkende kracht, leidt niet tot een andere conclusie. De beëindiging van een uitkering na een herbeoordeling zal in beginsel niet met terugwerkende kracht plaatsvinden en appellant is inmiddels in aanmerking gebracht voor een WGA‑loonaanvullingsuitkering. Overigens kan ook in een IVA‑situatie een herbeoordeling plaatsvinden.

5. Wat betreft de beëindiging van de ZW-uitkering per 18 december 2014 is de Raad van oordeel dat appellant op grond van artikel 21 van de ZW voor de toepassing van hoofdstuk II van die wet, niet als verzekerd voor die wet wordt beschouwd omdat hij op die datum een uitkering op grond van de Wet WIA ontving. De uitkering is dus terecht beëindigd.

6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- voor rechtsbijstand in beroep en € 1.272,50 in hoger beroep, totaal € 2.274,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor wat betreft de weigering van de WIA-uitkering per 27 mei 2014;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 6 februari 2015 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 13 juni 2017 ongegrond;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak, voor wat betreft de intrekking van de ZW-uitkering per 18 december 2014;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.274,50;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 169,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en F.M.S. Requisizione en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2018.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) S.L. Alves

UM