Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:402

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
16/189 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante ontvangt sinds 29 januari 2009 WAO-uitkering vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Verzoek maatvrouwwisseling. Geen procesbelang. Wisseling van de maatvrouw zal geen feitelijke betekenis hebben voor de hoogte van de WAO-uitkering van appellante. Ander belang niet gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 189 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

18 december 2015, 15/6147 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 2 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. M.J. Meijer, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Meijer. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als accountmanager/orderbegeleider toen zij zich op 20 juli 2000 ziek meldde. Met ingang van 17 augustus 2001 is appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar de klasse van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is nadien diverse keren gewijzigd. Met ingang van

29 januari 2009 is deze vastgesteld naar de klasse 80 tot 100%.

1.2.

Appellante heeft sinds de ingangsdatum van haar WAO-uitkering bij verschillende werkgevers, waaronder het Ministerie van Economische Zaken en [naam werkgever B.V.], werkzaamheden verricht.

1.3.

Bij brief van 6 november 2014 heeft appellante verzocht om een maatvrouwwisseling. Het Uwv heeft bij besluit van 13 februari 2015 afwijzend gereageerd op dit verzoek. Bij besluit van 6 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 februari 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen reden is voor een maatvrouwwisseling.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij voldoet aan de voorwaarden voor een maatvrouwwisseling.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet zich, ambtshalve, allereerst voor de vraag gesteld of appellante voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van haar hoger beroep. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zoals neergelegd in de uitspraak van 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2805) is daarvoor bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis heeft.

4.2.

De WAO-uitkering van appellante is sinds 29 januari 2009 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarmee heeft zij recht op een volledige uitkering ingevolge de WAO. Een wisseling van de maatvrouw zal daarom geen feitelijke betekenis hebben voor de hoogte van de WAO-uitkering van appellante, wat de gemachtigde van appellante ter zitting ook heeft erkend. Een ander belang dat appellante zou kunnen hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit is door de gemachtigde niet gegeven. Het hoger beroep moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en A.I. van der Kris en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2018.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) R.H. Budde

RB