Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:398

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
16/4015 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging voorziening aangepaste bruikleenauto. Juist oordeel rechtbank dat intrekking ten onrechte is gebaseerd op artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder b, Wmo 2015 omdat niet toegekend als maatwerkvoorziening. Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat college bevoegd was te beëindigen met toepassing van artikel 7.6, aanhef en onder a, van de Verordening 2007. Beëindigingsbevoegdheid op grond van overgangsrecht Wmo 2015. College heeft zich, onder verwijzing naar zorgvuldige en juiste adviezen van GGD en Trompetter, terecht op standpunt gesteld dat appellante in haar lokale vervoersbehoefte kan voorzien met een (individuele) rolstoeltaxi. Vertrouwens-en rechtszekerheidsbeginsel niet geschonden. Geen omstandigheden die aanleiding geven voor toepassing hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/69
RSV 2018/101
USZ 2018/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4015 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2016, 16/1270 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 7 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Groen, door haar broer [naam broer] en door haar moeder
[naam moeder] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Bogaards.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1986, is meervoudig gehandicapt en volledig rolstoelafhankelijk. Het college heeft appellante sinds 2001 in aanmerking gebracht voor een aangepaste bruikleenauto waarmee zij met en door haar gezinsleden wordt vervoerd. Het college heeft appellante laatstelijk bij besluit van 26 maart 2008 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor de bruikleenauto in aanmerking gebracht.

1.2.

Op verzoek van het college heeft GGD Haaglanden (GGD) op 14 september 2015 advies uitgebracht over de medische noodzaak van een bruikleenauto. In het advies is geconcludeerd dat er geen reden van medische aard aanwijsbaar is voor de noodzaak van gebruikmaking van een bruikleenauto. Appellante kan gebruik maken van een reguliere rolstoeltaxi. Hierbij is opgemerkt dat appellante voor haar dagopvang bij [naam dagopvang] (vijf dagen in de week) met een rolstoeltaxi wordt vervoerd. Dit vervoer gaat goed. Noemenswaardige gevolgen van incontinentieproblematiek hebben zich ook niet voorgedaan. Indien nodig kan appellante op de plaats van bestemming verschoond worden.

1.3.

Bij besluit van 21 september 2015 heeft het college de voorziening met ingang van
1 maart 2016 beëindigd omdat uit onderzoek is gebleken dat de medische noodzaak voor de bruikleenauto niet langer aanwezig is. Het college heeft hieraan artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) ten grondslag gelegd. In de vervoersbehoefte kan volgens het college worden voorzien door toekenning van een rolstoeltaxi.

1.4.

Appellante heeft tegen het besluit van 21 september 2015 bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase heeft de GGD het medisch advies bij e-mailbericht van 4 januari 2016 aangevuld. De medisch adviseur heeft opgemerkt dat opnieuw contact is opgenomen met [naam dagopvang] en dat daaruit is gebleken dat het vervoer naar de dagopvang met de reguliere rolstoeltaxi nog altijd voortvarend verloopt.

1.5.

Bij besluit van 5 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe, voor zover van belang, het volgende overwogen. Het besluit waarbij de bruikleenauto is verstrekt is niet gebaseerd op artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo 2015. Het college heeft de intrekking dan ook ten onrechte gebaseerd op artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015. Gelet op het bepaalde in artikel 7.6, aanhef en onder a, van de Verordening individuele voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag 2007 (Verordening 2007) was het college echter ook bevoegd om de voorziening in te trekken indien deze niet (langer) noodzakelijk is. Dit betekent dat het gebrek naar het oordeel van de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden gepasseerd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de eerdere toekenningen van de voorziening vooral op sociale en niet op medische gronden plaatsvonden. Niet in geschil is dat de sociale omstandigheden van appellante zijn veranderd, nu haar broers inmiddels meerderjarig zijn. In de medische rapportages van de GGD van 11 juni 2015 en van 4 januari 2016 staat vermeld dat er op de datum in geding geen medische noodzaak voor een voorziening in de vorm van een bruikleenauto is. Hoewel de rechtbank invoelbaar acht dat het gebruik van een rolstoeltaxi een praktische belemmering oplevert en de bruikleenauto een prettige oplossing is, leidt dit niet tot het oordeel dat er een medische noodzaak is voor het gebruik ervan. De rechtbank heeft voorts appellante niet in haar beroep op het vertrouwensbeginsel gevolgd en tenslotte overwogen dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 8.1 van de Verordening 2007 neergelegde hardheidsclausule. Ook heeft zij nog geoordeeld dat niet valt in te zien op welke wijze appellante door dit besluit in haar vrijheid, veiligheid of privéleven zou worden beperkt. Strijd met de artikelen 5 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aan de orde.

3. Appellante heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Volgens appellante is er wel een medische noodzaak voor een bruikleenauto en compenseert een rolstoeltaxi haar onvoldoende in haar beperkingen. Het college heeft zich niet mogen baseren op de adviezen van de GGD. Verder is de beëindiging van de bruikleenauto in strijd met de artikelen 5 en 8 van het EVRM alsmede met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Het college had aanleiding moeten zien voor toepassing van de hardheidsclausule.

4.1.

Trompetter & Partners B.V. (Trompetter) heeft in hoger beroep op verzoek van het college onderzoek verricht naar de noodzaak van vervoer met een bruikleenauto en op
25 mei 2017 een sociaal-medisch advies uitgebracht. In het advies is geconcludeerd dat appellante binnen de regio [regio] vervoerd zou kunnen worden per individuele rolstoeltaxi, mits met een vertrouwde persoonlijke begeleider. Voor deze relatief korte afstanden kunnen individueel concrete afspraken worden gemaakt, incontinentieproblemen zorgen niet voor overlast van andere meereizende mensen, appellante kan op de plaats van bestemming worden verschoond en de route kan individueel worden aangepast. Medisch gezien is er geen noodzaak op elk moment prompt in de rolstoel verschoond te worden, zeker niet op de relatief beperkte afstanden binnen de regio [regio] . In aanvulling op dit advies heeft Trompetter op 1 juni 2017 aan het college meegedeeld dat het medisch niet aannemelijk is dat appellante bij elke onverwachte gebeurtenis overstuur raakt; zij gaat immers ook mee boodschappen doen of naar het strand alwaar zich ook allerlei onverwachts kan voordoen. Het is aan de vaste begeleider om appellante daarin te begeleiden en zo nodig te kalmeren. Dergelijke individuele begeleiding is ook aan appellante toegekend en wordt grotendeels ingevuld door haar moeder en broer. Er kan geconcludeerd worden dat individueel vervoer in de rolstoeltaxi met begeleiding tegemoetkomt aan de problemen die appellante ondervindt.

4.2.

Appellante heeft de conclusies van Trompetter bestreden.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Ingevolge artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 beslist het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

5.2.

Artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 kan herzien dan wel kan intrekken, indien het college vaststelt dat de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is aangewezen.

5.3.

Artikel 8.9, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat de Wmo wordt ingetrokken, onverminderd de rechten en verplichtingen die onmiddellijk voor het tijdstip waarop artikel 2.1.1 in werking is getreden, voor betrokkene zijn verbonden aan een met toepassing van de Wmo door het college genomen besluit waarbij aanspraak is verstrekt op een individuele voorziening in natura of het ontvangen van een persoonsgebonden budget dan wel een financiële tegemoetkoming. Artikel 8.9, tweede lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van enig artikel van deze wet, van toepassing blijft ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Wmo.

5.4.

In artikel 3.5, tweede lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag 2015 (Verordening 2015) is, voor zover van belang, bepaald dat een cliënt eerst in aanmerking kan komen voor een andere individuele vervoersvoorziening dan het collectief vervoer indien deze langdurig noodzakelijk is en het collectief vervoer niet afdoende is.

5.5.

In artikel 9.1 van de Verordening 2015 is bepaald dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

5.6.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college de intrekking ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015. Dit artikel mist toepassing omdat de aan appellante verstrekte bruikleenauto niet is toegekend als maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wmo 2015, maar als individuele voorziening als bedoeld in de Wmo. De rechtbank heeft echter ten onrechte geoordeeld dat het college bevoegd was de toekenning van de bruikleenauto te beëindigen met toepassing van artikel 7.6, aanhef en onder a, van de Verordening 2007. Ten tijde van de bestreden besluitvorming waren de Wmo en de Verordening 2007 immers ingetrokken. Dit betekent ondertussen niet dat het college niet bevoegd was om de toekenning van de bruikleenauto onder de Wmo 2015 te beëindigen. Het in artikel 8.9, eerste en tweede lid, van de Wmo 2015 geregelde overgangsrecht houdt in dat onder de Wmo toegekende individuele voorzieningen kunnen worden ingetrokken of gewijzigd indien de bij of krachtens de Wmo 2015 gestelde regels daartoe aanleiding geven (zie de uitspraak van de Raad van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1403).

5.7.

Daarmee ligt de vraag voor of het college de toekenning van de bruikleenauto heeft kunnen beëindigen op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wmo 2015. Volgens het college kan appellante ook gebruik maken van een rolstoeltaxi ter compensatie van haar vervoersbeperkingen, zodat een bruikleenauto niet langdurig noodzakelijk is als bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Verordening 2015. Het college heeft daarbij verwezen naar de adviezen van de GGD en Trompetter.

5.8.

De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de juistheid van de conclusies van Trompetter. Het advies is tot stand gekomen na een huisbezoek bij appellante en na bestudering van de beschikbare medische informatie. Het advies van Trompetter kent bovendien dezelfde conclusie als waartoe de GGD eerder ook al was gekomen. Uit het voorgaande volgt dat het college, onder verwijzing naar de adviezen van de GGD en Trompetter, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante in haar lokale vervoersbehoefte kan voorzien met een (individuele) rolstoeltaxi. Dit betekent dat de bruikleenauto niet langdurig noodzakelijk is als bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Verordening 2015.

5.9.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel door de beëindiging van de voorziening niet zijn geschonden. Het college heeft immers geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging gedaan dat appellante de bruikleenauto ook in de toekomst zou mogen blijven gebruiken. Voorts blijkt uit het besluit van het college van 6 juli 2001 dat bij de beslissing om appellante in aanmerking te brengen voor een bruikleenauto heeft meegewogen dat de twee broers van appellante thuis woonden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat zij inmiddels meerderjarig zijn zodat de sociale omstandigheden van appellante anders zijn dan destijds.

5.10.

Ook in hoger beroep heeft appellante haar standpunt, dat artikel 5 en artikel 8 van het EVRM zijn geschonden, niet onderbouwd. Niet gebleken is van omstandigheden die aanleiding geven tot toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 9.1 van de Verordening 2015. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.

5.11.

Gelet op het hiervoor overwogene heeft het college de voorziening terecht met ingang van 1 maart 2016 beëindigd, zij het op een onjuiste grondslag. Nu appellante door deze onjuiste grondslag materieel niet is benadeeld, bestaat aanleiding dat gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

5.12.

Gelet op het hiervoor overwogene komt de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden voor bevestiging in aanmerking.

6. Er is aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten. Deze worden voor rechtsbijstand begroot op € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep, in totaal € 2.004,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.004,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en N.R. Docter en S.E. Zijlstra als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2018.

(getekend) R.M. van Male

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

KS