Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
07-01-2019
Zaaknummer
17/1949 PW-PV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:1243, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering aanvullende inkomensvoorziening ouderen. Schending inlichtingenverplichting staat vast. De Svb en de rechtbank hebben er terecht op gewezen dat de door appellanten overgelegde nieuwsberichten onvoldoende zijn om aan te nemen dat de onroerende zaken in Turkije in het geheel niks waard zijn. Geen taxaties overgelegd. Aangevoerde gronden slagen niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1949 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2017, 16/4864 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank te Amstelveen (Svb)

Datum uitspraak: 6 november 2018

Zitting hebben: P.W. van Straalen als voorzitter en G.M.G. Hink en P.J. Huisman als leden.

Griffier: S.A. de Graaff

Namens appellanten is verschenen mr. R. Küçükünal, advocaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahl-de Bruin.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

Het gaat in deze zaak om een intrekking en de terugvordering van een aanvullende

inkomensvoorziening ouderen. De te beoordelen periode is 1 maart 2007 tot en met 19 november 2015. Aan de intrekking en terugvordering ligt ten grondslag dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van drie onroerende zaken in Turkije, waarover zij in de te beoordelen periode konden beschikken. Niet is in geschil dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden. Appellanten stellen dat, als zij van de onroerende zaken wel melding zouden hebben gemaakt, vastgesteld had kunnen worden dat zij recht op een aanvulling zouden hebben gehad, dat sprake is van dringende redenen die maken dat van de intrekking moet worden afgezien en dat de terugvordering zou moeten worden gematigd.

Aan al deze gronden ligt ten grondslag dan de onroerende zaken niks waard zijn, omdat zij dichtbij de grens met Syrië liggen. De crisis daar en het grote aantal mensen dat het land ontvlucht en over de grens hulp zoekt, leidt er volgens appellanten toe dat de onroerende zaken niets waard zijn. De Svb en de rechtbank hebben er echter terecht op gewezen dat de door appellanten in dat kader overgelegde nieuwsberichten onvoldoende zijn om aan te nemen dat de onroerende zaken in het geheel niks waard zijn. Er zijn geen taxaties overgelegd met betrekking tot de waarde in de te beoordelen periode en van slechts één van de drie onroerende zaken is de OZB-waarde bekend, maar daarvan is bekend dat die waarde niet zonder meer de reële marktwaarde vertegenwoordigt. Dit betekent dat over de gehele te beoordelen periode niet duidelijk is welke waarde de onroerende zaken van appellanten vertegenwoordigen. Daarmee valt de grondslag van de door appellanten aangevoerde gronden weg. Omdat die gronden niet slagen, zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) S.A. de Graaff (getekend) P.W. van Straalen

md