Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3941

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
12-12-2018
Zaaknummer
17/7614 WUBO-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

afwijzing verzoek om herziening van de afwijzing. Niet is komen vast te staan dat appellant betrokken is geweest bij ongeregeldheden in de zin van de Wubo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7614 WUBO-PV

Datum uitspraak: 15 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Zitting heeft: C.H. Bangma

Griffier: C.A.E. Bon

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P. Lesquillier, advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2018. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Verweerder heeft bij besluit van 18 november 1999 de aanvraag van appellant op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) afgewezen op de grond dat niet is komen vast te staan dat appellant betrokken is geweest bij ongeregeldheden in de zin van de Wubo. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Vervolgens heeft appellant in september 2012, april 2013 en februari 2015 verzocht om het besluit van

18 november 1999 te herzien. Deze verzoeken zijn door verweerder afgewezen.

Appellant heeft in maart 2017 wederom verzocht de eerdere afwijzing te herzien. Verweerder heeft het verzoek afgewezen bij besluit van 28 april 2017 op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wubo. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 oktober 2017 ongegrond verklaard.

De Raad moet vaststellen dat appellant bij zijn herzieningsverzoek en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek in wezen heeft herhaald wat hij reeds ter ondersteuning van zijn eerdere verzoeken had aangevoerd en ook eerder ter beoordeling aan de Raad heeft voorgelegd. De door appellant overgelegde (aanvullende) verklaringen geven een uitgebreidere weergave van oorlogsgebeurtenissen, maar een bevestiging dat hij tijdens zijn verblijf in het MVO-kamp van het 10e Bataljon (persoonlijk) direct betrokken is geweest bij beschietingen, zoals in het kader van de Wubo wordt vereist, is niet verkregen. Voor het aanvaarden van een dergelijke betrokkenheid is onder meer van belang of appellant zelf gewond is geraakt of rechtstreeks geconfronteerd is geweest met verwondingen of het omkomen van naasten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:244).

Zoals de Raad reeds heeft overwogen in de uitspraak van 8 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4648, kan een vergelijking met [naam] niet aan de orde zijn.

Dat appellant tijdens het verblijf in het 10e Bataljon getuige is geweest van het doodschieten van een pemoeda is onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Het bestreden besluit houdt in rechte stand.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) C.A.E. Bon (getekend) C.H. Bangma

sg