Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:394

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
12-02-2018
Zaaknummer
15/8084 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAZ-uitkering terecht geweigerd. Op de juist vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet verzekerd voor de WAZ. Risico van laattijdige aanvraag ligt bij appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8084 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

6 november 2015, 14/2565 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 9 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.M. Hartmans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat, en B. Hoek, psychiater. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft met een brief van 10 oktober 2012 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) aangevraagd omdat hij al vanaf 1997 PTSS en depressieve klachten heeft. Hij claimt 1 september 1997 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Op deze datum was hij directeur-grootaandeelhouder van een [onderneming].

1.2.

In het kader van deze aanvraag is appellant onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze verzekeringsarts heeft in een rapport van 15 mei 2013 vermeld uit te gaan van – arbitrair – 1 september 1997 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst vastgesteld met beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 8 januari 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van 31 augustus 1998 geen recht had op een uitkering op grond van de WAZ omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

1.3.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep zich in een rapport van 2 juli 2014 op het standpunt gesteld dat op grond van de ingebrachte medische stukken, waaronder een psychiatrisch rapport van psychiater H.J.A. Mans van 6 november 2012, geen arbeidsongeschiktheid vastgesteld kan worden in 1997. Deze verzekeringsarts heeft in de medische informatie wel verschillende “knikmomenten” gezien in 2005 in verband met de ziekte van de partner van appellant en een dreigend bankroet in dat jaar.

1.4.

Bij besluit van 11 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 januari 2014 ongegrond verklaard. Appellant heeft op gewijzigde gronden geen recht op een WAZ-uitkering met ingang van 31 augustus 1998. Er is ten onrechte uitgegaan van 1 september 1997 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. In plaats van deze dag moet 1 juni 2005 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag worden aangemerkt. Op deze datum was appellant niet verzekerd voor de WAZ.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat appellant heeft gewerkt tot september 1997 en dat niet kan worden vastgesteld dat appellant vervolgens aansluitend langdurig arbeidsongeschikt is geweest. De rechtbank heeft erop gewezen dat de wetgever de toegang tot de WAZ met ingang van 1 augustus 2004 heeft afgesloten voor alle nieuwe gevallen. Omdat appellant op basis van de beschikbare gegevens pas met ingang van 1 juni 2005 arbeidsongeschikt kan worden geacht, heeft het Uwv de aanvraag terecht afgewezen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de door hem ingebrachte stukken blijkt dat hij in 1997 al psychische dan wel psychiatrische problematiek had. [onderneming] is destijds verkocht omdat hij door deze problematiek zijn werkzaamheden niet meer kon verrichten. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geen deskundige ingeschakeld. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij onder meer verwezen naar stukken van de [GGZ instantie] Amsterdam, een brief van psychiater

P.G. Prins van 19 december 2014, een medisch advies van M. Blom, niet praktiserend verzekeringsarts/medisch adviseur, van 28 mei 2017 en diverse brieven van psychiater Hoek. Medisch adviseur Blom heeft op basis van de voorhanden zijnde stukken geconcludeerd dat appellant in september 1997 niet in staat was tot het verrichten van loonvormende arbeid en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de Joodse tweedegeneratieproblematiek is miskend.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen en heeft verwezen naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 november 2017 waarin deze arts in reactie op het rapport van Blom naar voren heeft gebracht dat bekend is dat appellant werkzaam is geweest en goed heeft gefunctioneerd tot eind 1997, dat uit medisch onderzoek blijkt dat er een evident knikmoment was in het algemeen functioneren rond juni 2005 en dat er niet van uitgegaan kan worden dat de arbeidsongeschiktheid, die evident was in juni 2005, ook al aanwezig was in september 1997.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op grond van de voorhanden gegevens niet kan worden geconcludeerd dat appellant in de periode van 1997 tot 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt is geworden voor zijn arbeid en dat deze arbeidsongeschiktheid vervolgens onafgebroken 52 weken heeft geduurd. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant in 1993 en 1994 bij de [GGZ instantie] Amsterdam onder behandeling is geweest, van 1994 tot 1997 en van 2001 tot 2004 onder behandeling is geweest van psychiater Prins, van 2004 tot in 2007 onder behandeling is geweest van psychiater Hoek en in 2012 onder behandeling is gekomen van psychiater M.M.M.G. Debije. Van deze behandelaars behandelde alleen psychiater Prins appellant in 1997. Deze psychiater heeft in zijn brief van 19 december 2014 verklaard dat hij geen uitspraak kan doen over arbeidsongeschiktheid, dat hij weet dat het werken appellant zeer zwaar viel en dat appellant eigenlijk chronisch overspannen door bleef werken. Psychiater Hoek heeft appellant regelmatig gezien in het kader van de behandeling van de partner van appellant van begin 1992 tot september 1997, maar hij had geen behandelingsrelatie met appellant. Aan de brieven van psychiater Hoek wordt daarom geen doorslaggevende betekenis toegekend. Het rapport van medisch adviseur Blom steunt met name op de brieven van psychiater Hoek. Er is geen aanleiding voor de conclusie dat het standpunt van het Uwv, zoals dit onder andere is beargumenteerd in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 november 2017, niet juist is. Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt weliswaar dat appellant psychische problemen heeft gehad, maar uit deze stukken kan niet worden afgeleid dat appellant vanaf 1 september 1997 wegens psychische klachten niet in staat was tot het verrichten van zijn werkzaamheden. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in een situatie waarin sprake is van een (zeer) laattijdige aanvraag volgens vaste rechtspraak het feit dat de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen voor rekening en risico van de aanvrager komt. Voor zover er al enige twijfel zou zijn aan het door het Uwv op grond van de beschikbare gegevens aangenomen medische toestand van appellant, moet dit voor zijn risico blijven. Er is daarom geen aanleiding voor benoeming van een deskundige.

4.2.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en D. Hardonk-Prins en

C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2018.

(getekend) M. Greebe

(getekend) R.H. Budde

IJ