Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3933

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2018
Datum publicatie
15-01-2019
Zaaknummer
17/7311 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afbakening Wmo 2015 en Wlz. Begeleiding bij vervoer voor participatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/58
NJB 2019/225
USZ 2019/67 met annotatie van I.M. Lunenburg
AB 2019/138 met annotatie van Redactie
RSV 2019/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/7311 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 31 oktober 2017, 17/811 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam vader], haar vader, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018. Namens appellante is [naam vader] verschenen, vergezeld door de cliëntondersteuner [naam X]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Velema en drs. W.J.M. Peters.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

CIZ heeft appellante op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de periode van 13 juni 2013 tot en met 12 juni 2028 geïndiceerd voor zorgzwaartepakket (ZZP) VG 07. Op grond van het overgangsrecht heeft zij met ingang van 1 januari 2015 recht op zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Voor de realisering van de geïndiceerde zorg ontvangt zij een persoonsgebonden budget (pgb) van Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V.

1.2.

Bij besluit van 22 december 2016 heeft het college de aanvraag van appellante om begeleiding voor sociale participatie en begeleiding bij sociaal vervoer (nader: begeleiding bij participatie) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen. Het college stelt zich op het standpunt dat appellante een Wlz-verblijfsindicatie heeft en dat het college op grond van artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 niet is gehouden om begeleiding vanuit de Wmo 2015 te verstrekken. Omdat het begeleiding betreft, zijn de in artikel 8.6a van de Wmo 2015 genoemde uitzonderingen op appellante niet van toepassing.

1.3.

Bij besluit van 28 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante een pgb ontvangt op grond van de Wlz waardoor is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015. Dat individuele begeleiding en sociale begeleiding bij vervoer ten behoeve van de participatie niet tot het domein van de Wlz behoren, doet hieraan niet af. De wetgever heeft blijkens de tekst van artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015, bezien in samenhang met de toelichting daarop, een uitdrukkelijke scheiding willen aanbrengen tussen aanspraken op maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 en aanspraken op grond van de Wlz. Wanneer aanspraak gemaakt kan worden op zorg op grond van de Wlz, kan geen aanspraak meer worden gemaakt op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Appellante verblijft niet in een instelling. De uitzondering van artikel 8.6a, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 is daarom niet op haar van toepassing. Uit de stukken die appellante in beroep heeft overgelegd, blijkt niet dat het college op enig moment in gebreke is gesteld in de zin van artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom heeft het college geen dwangsommen aan appellante verbeurd.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep bestreden dat artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 in haar geval aan verstrekking van begeleiding bij participatie in de weg staat. Uit artikel 3.1.1, onder f, van de Wlz blijkt dat alleen vervoer naar de dagbesteding of behandeling onder de Wlz valt. Volgens Zorginstituut Nederland valt vervoer naar sociale contacten onder de Wmo 2015. Dat begeleiding voor participatie onder de Wmo 2015 valt, is reeds uitgemaakt in de uitspraak van de Raad van 5 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3715. Verwezen is naar Kamerstukken II, 2013/14, 33891, nr. 3, p. 136. De rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat appellante een beroep heeft gedaan op artikel 8:6a, aanhef en onder b, van de Wmo 2015. Appellante heeft een beroep gedaan op het bepaalde onder a van dat artikel. Verder heeft appellante in hoger beroep nadere stukken ingezonden ter onderbouwing van haar standpunt dat dwangsommen zijn verbeurd.

3.2.

Het college heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat uit artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 voortvloeit dat het, onverminderd artikel 8:6a, van de Wmo 2015, niet verplicht is om een maatwerkvoorziening te verstrekken aan personen die een aanspraak hebben op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz. Appellante heeft een indicatie voor Wlz-zorg zodat het college in redelijkheid een maatwerkvoorziening heeft kunnen weigeren. Appellante komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening op grond van artikel 8:6a, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 omdat zij geen maatwerkvoorziening voor een hulpmiddel of een woningaanpassing heeft aangevraagd, waarmee niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 8:6a, aanhef en onder a, van de Wmo 2015.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande.

Artikel 8.6a van de Wmo 2015 bepaalt dat artikel 2.3.5, zesde lid, tot een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip niet geldt voor daar bedoelde cliënten:

  1. die thuis wonen en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel of een woningaanpassing hebben aangevraagd;

  2. die zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd;

  3. die hun recht op zorg tot gelding brengen met een modulair pakket thuis en een maatwerkvoorziening inhoudende het schoonhouden van hun woonruimte hebben aangevraagd.

Artikel 3.1.1 van de Wlz bepaalt, voor zover hier van belang:

1. Het op grond van deze wet verzekerde pakket omvat de volgende vormen van zorg: (…)

b. persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleging; (…).

4.2.1.

De wetgever heeft met de Wmo 2015, de Jeugdwet (Jw), de Wlz en de Zorgverzekeringswet (Zvw) beoogd een samenhangend wettelijk kader te creëren waarbinnen zorg geleverd kan worden die gericht is op de wensen, mogelijkheden en behoeften van individuele mensen (Kamerstukken II, 2013/14, 33891, nr. 3, p. 4). De wettelijke systemen van deze wetten zijn voorwaardenscheppend voor de doelstelling van de wetgever. De vier zorgdomeinen ‒ Wmo 2015, Jw, Wlz en Zvw – vullen elkaar aan. Elk domein kent zijn eigen sturingsmechanismen, uitvoeringsmethodieken en informatiestromen. Voor een goed functionerende langdurige zorg is het essentieel dat de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen helder zijn en dat partijen elk vanuit hun eigen verantwoordelijkheid nauw samenwerken. Omdat er verschillende wettelijke systemen zijn, blijven er ook schotten tussen wetten en zijn er altijd schaduwgebieden in onder andere het verzekerd pakket. Om ervoor te zorgen dat een cliënt zo min mogelijk last heeft van de schotten tussen de domeinen, is afstemmen en samenwerking tussen de domeinen noodzakelijk. Het leven van mensen is immers niet in stelsels op te knippen. Daarom heeft de wetgever willen bevorderen dat gemeenten, zorgverzekeraars, Wlz-uitvoerders, zorgkantoren en zorgaanbieders intensief samenwerken bij het tot stand brengen van zorg en ondersteuning op maat (Kamerstukken II 2013/14, 33891, nr. 3, p. 67). Samenwerking tussen gemeenten, zorgverzekeraars, Wlz-uitvoerders (waaronder ook de zorgkantoren) en zorgaanbieders is onontbeerlijk voor het tot stand brengen van zorg en ondersteuning op maat (Kamerstukken II 2013/14, 33891, nr. 3, p. 122 en 33841, nr. 3, p. 2). Met de Wmo 2015 is beoogd gemeenten breed verantwoordelijk te maken voor het bieden van ondersteuning aan mensen met beperkingen binnen het sociale domein. Het is de bedoeling dat mensen ondersteuning en zorg aangeboden krijgen die aansluit op hun persoonlijke omstandigheden en levensfase. De Wmo 2015 voorziet in belangrijke waarborgen voor het uitvoeren van een goed onderzoek naar de ondersteuningsbehoeften van mensen. Van gemeenten wordt verwacht dat zij dit onderzoek uitvoeren in goede samenspraak met de mensen om wie het gaat en dat zij samen met betrokkenen komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening. Daarbij dienen zij samen te werken met zorgverzekeraars, zorgaanbieders en andere betrokken partijen op het gebied van jeugdzorg, onderwijs, preventieve gezondheidszorg, welzijn, wonen, werk en inkomen. De wetgever heeft zich voorgesteld dat gemeenten, zorgverzekeraars en zorgaanbieders met elkaar afspraken maken over goede dienstverlening, waarbij de ondersteunings- en zorgvraag van de cliënt centraal staat (Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 2 en 7). Een meer integrale benadering van de specifieke situatie van cliënt is het vertrekpunt van de gemeente bij de vraag of het voor de te verlenen ondersteuning van belang is samen te werken met deze andere partijen met als doel te komen tot een zo goed mogelijk op elkaar afgestemde zo integraal mogelijke dienstverlening (Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 22 en 23).

4.2.2.

Over de verantwoordelijkheid van de gemeenten voor hulp en ondersteuning in het kader van de Wmo 2015 vermeldt de memorie van toelichting van die wet ook dat de afbakening van de verantwoordelijkheden en taken van de gemeenten niet alleen plaatsvindt in de opdracht voor gemeenten en de uitwerking daarvan, maar ook in de beschrijving van de groepen van personen die een beroep kunnen doen op de Wlz, de Jw en de Zvw. “Uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de maatschappelijke ondersteuning van hun ingezetene tot aan het moment dat deze een indicatie heeft voor zorg op grond van de (nieuwe) Wlz. (…) Ook als een cliënt op basis van de Wlz gefinancierde zorg thuis ontvangt of kan ontvangen, houdt de verantwoordelijkheid van de gemeente op grond van dit wetsvoorstel op. (…)” Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het bieden van samenhangende ondersteuning aan cliënten opdat zij zoveel mogelijk kunnen participeren in de maatschappij en zelfredzaam zijn. “Indien op grond van de criteria voor de toegang tot zorg op grond van de Wlz en de Zvw recht op zorg op basis van deze wetten bestaat, is de gemeente, voor de onderdelen die het betreft, niet gehouden maatschappelijke ondersteuning te bieden. Voor de onderdelen waarvoor geen recht op zorg bestaat, kan de cliënt een beroep op ondersteuning door de gemeente doen.” (Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 14 en 15). “In verband met het feit dat een duidelijke afbakening tussen dit wetsvoorstel en de Wlz noodzakelijk is, is in dit wetsvoorstel bepaald dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren indien een cliënt voldoet aan de criteria van de Wlz (…).” (Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 35). Indien bij het onderzoek van de gemeente blijkt dat iemand beschikt over een indicatiebesluit voor Wlz-zorg kan het college weigeren een maatwerkvoorziening te verstrekken dan wel een al toegekende maatwerkvoorziening beëindigen. Dit is vastgelegd in artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 151).

4.2.3.

Over zorg op grond van de Wlz vermeldt de memorie van toelichting van die wet dat het verzekerd pakket van prestaties een integraal pakket is dat de volgende onderdelen kan omvatten: verblijf in een instelling, persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleging, behandeling, hulpmiddelen, vervoer voor begeleiding of behandeling en woningaanpassingen voor cliënten tot 18 jaar (Kamerstukken II 2013/14, 33891, nr. 3, p. 18). “Begeleiding of dagbesteding in de Wlz omvat recreatieve of sociaal-culturele activiteiten waaraan de mensen in de Wlz een bepaalde mate van structuur overhouden en die bijdrage aan een verhoging van de kwaliteit van leven. Bij deze begeleiding hoort ook een bepaalde mate van toezicht. Dit wijkt af van de begeleiding die wordt geboden door gemeenten in het kader van de Wmo 2015. Deze begeleiding is erop gericht de zelfredzaamheid van een persoon te handhaven of te bevorderen en verwaarlozing of opname in een instelling te voorkomen.” (Kamerstukken II 2013/14 33891, nr. 3, blz. 21). Bij de formulering van het verzekerd pakket is zoveel mogelijk geprobeerd te voorkomen dat er zorg is die uit meerdere zorgdomeinen kan worden genoten. “Om te zorgen dat zoveel mogelijk zorg aan Wlz-cliënten ook daadwerkelijk vanuit de Wlz en niet vanuit de Wmo, de Zvw of de Jeugdwet wordt geleverd, zijn daarnaast in de Wlz, Wmo 2015, de Zvw en de Jeugdwet bepalingen opgenomen. (…) In de Wmo 2015 is de bepaling opgenomen dat een gemeente een maatwerkvoorziening kan weigeren indien een cliënt recht heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg vanuit de Wlz. Deze bepaling voorziet erin dat cliënten die toegang hebben tot de Wlz geen ondersteuning vanuit de gemeenten op grond van de Wmo 2015 ontvangen. Ook is opgenomen dat de gemeente een maatwerkvoorziening mag weigeren indien er reden is om aan te nemen dat iemand recht kan maken op verblijf en daarmee samenhangende Wlz-zorg, maar niet mee wil werken aan het verkrijgen van een indicatiebesluit van het CIZ. (…) Indien het CIZ vaststelt dat iemand voldoet aan de toegangscriteria van de Wlz, ontvangt hij voortaan Wlz-zorg. Een terugverwijzing naar de gemeente en verzekeraar is dan niet aan de orde. (…) Het staat gemeenten overigens vrij om Wlz-cliënten toch te ondersteunen. Gemeenten zijn het niet verplicht, maar de Wlz of de Wmo 2015 verbieden het ook niet (Kamerstukken II 2013/14 33891, nr. 3, blz. 68 tot en met 71).

4.3.

Uit 4.2.1 tot en met 4.2.3 volgt – in zoverre ter verduidelijking van en in aanvulling op de uitspraak van de Raad van 23 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1525 – dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om een duidelijke scheiding in zorg en verantwoordelijkheid aan te brengen tussen de Wlz en de Wmo 2015. In de Wmo 2015 is dit tot uitdrukking gebracht in artikel 2.3.5, zesde lid, dat – kort gezegd – bepaalt dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren indien een cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz of daarvoor in aanmerking zou kunnen komen. Is aan de toepassingsvoorwaarden van dit artikellid voldaan dan is het college, behoudens het bepaalde in artikel 8.6a van de Wmo 2015, niet gehouden om een maatwerkvoorziening te verstrekken. De bevoegdheid om aan een cliënt die aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz, dan wel daarop aanspraak zou kunnen maken, een maatwerkvoorziening te verstrekken is de gemeentebesturen echter niet ontzegd.

4.4.

Artikel 3:2 van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 geeft voorschriften voor het onderzoek dat door het college dient te worden verricht naar aanleiding van een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Het eerste lid bepaalt dat het college, in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger(s) dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uitvoert overeenkomstig het tweede tot en met het achtste lid. Het tweede lid bepaalt dat een cliënt, voordat het onderzoek van start gaat, het college een persoonlijk plan kan overhandigen waarin hij zijn omstandigheden, zoals genoemd in deze bepaling, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, onderzoekt het college

a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;

b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen;

c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen;

d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

f. de mogelijkheid om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van de publieke gezondheid te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid en participatie.

Het achtste lid bepaalt dat het college de ondersteuningsvrager een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt.

4.5.

In de uitspraak van 5 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3715, heeft de Raad over begeleiding het volgende overwogen: “In de Wlz wordt onder begeleiding verstaan activiteiten waarmee een persoon wordt ondersteund bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen en bij het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijk leven. Blijkens de memorie van toelichting zijn de activiteiten in de Wlz gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid, zoals het leren en toepassen van kennis, communicatie, mobiliteit en tussenmenselijke interacties en relaties. Het gaat daarbij niet om de elementen die bij het Wmo-domein behoren als begeleiding gericht op maatschappelijke participatie (Kamerstukken II 2013/14, 33 891, nr. 3, blz. 136).”

4.6.1.

Appellante heeft zich bij het college gemeld met een ondersteuningsbehoefte voor begeleiding bij participatie. Uit de stukken blijkt dat het college geen onderzoek heeft gedaan naar deze ondersteuningsbehoefte en mogelijke oplossingen daarvoor. Het college heeft ermee volstaan vast te stellen dat appellante aanspraak heeft op Wlz-zorg en vervolgens een maatwerkvoorziening op die grond, onder verwijzing naar artikel 2.3.5., zesde lid, van de Wmo 2015, geweigerd. Omdat in het geval van appellante aan de toepassingsvoorwaarden van dat artikel is voldaan heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet gehouden is om een maatwerkvoorziening toe te kennen.

4.6.2.

Uit 4.3 volgt dat het college niettemin wel bevoegd was een maatwerkvoorziening te verstrekken. Het college heeft dat miskend. Het college heeft bij het uitoefenen van die bevoegdheid een zeer ruime beslissingsruimte. Indien het tot een geschil over de toepassing van deze bevoegdheid komt zal de bestuursrechter beoordelen of het college, bij afweging van de rechtstreeks betrokken belangen, in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

4.6.3.

Of het college, in aanmerking genomen de rechtstreeks betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen beslissen aan appellante geen maatwerkvoorziening toe te kennen voor begeleiding bij participatie, kan in dit geval niet worden beoordeeld, omdat het college geen onderzoek heeft gedaan als bedoeld in 4.4 naar doel, inhoud en omvang van de ondersteuningsbehoefte, de noodzaak van ondersteuning en, als ondersteuning in de vorm van begeleiding noodzakelijk is, de wijze(n) waarop daarin kan worden voorzien door eigen zelfredzaamheid, inzet van het sociale netwerk, algemene voorzieningen en voorliggende voorzieningen zoals, in dit geval, begeleiding op grond van de Wlz. Indien de eigen kracht, het sociale netwerk en algemene voorzieningen geen soelaas bieden en de afstemming bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onder f, van de Wmo uitwijst dat noodzakelijke begeleiding resteert die niet door de Wlz wordt gedekt, is het gegeven de in 4.6.2 bedoelde zeer ruime beslissingsruimte aan het college om te beoordelen of in de omstandigheden van het geval aanleiding wordt gezien om in het tekort te voorzien. Dit betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb niet in stand kan blijven. Het college zal alsnog moeten beoordelen of in het geval van appellante een noodzakelijke begeleidingsbehoefte bij participatie kan worden vastgesteld, die niet door de Wlz wordt gedekt, en of in de omstandigheden van het geval aanleiding wordt gezien om daarin door middel van een maatwerkvoorziening te voorzien.

4.7.

De beroepsgrond dat appellante een beroep toekomt op het bepaalde in artikel 8:6a, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 slaagt niet. Appellante komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening op grond van dit artikel omdat niet aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan. Zij heeft geen maatwerkvoorziening voor een hulpmiddel of een woningaanpassing aangevraagd.

4.8.

De beroepsgrond dat het college dwangsommen heeft verbeurd slaagt evenmin. De twee in hoger beroep ingezonden brieven tonen niet aan dat het college voor het niet tijdig nemen van het in geding zijnde besluit in gebreke is gesteld. De brief van 12 februari 2015 is wel een ingebrekestelling, maar heeft geen betrekking op aanvragen voor begeleiding bij maatschappelijke participatie en begeleiding bij vervoer. De brief van 17 december 2015 maakt niet duidelijk op welke concrete aanvraag, of welk concreet bezwaar deze ingebrekestelling betrekking heeft.

4.9.

Uit wat in 4.3 tot en met 4.6.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen wordt het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De Raad beschikt niet over voldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Het college dient daarom een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van wat is overwogen in 4.3 tot en met 4.6.3.

4.10.

Het verzoek van appellante om schadevergoeding kan nu niet worden toegewezen, omdat nadere besluitvorming door het college noodzakelijk is. Het college zal bij het nemen van een nader besluit ook aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er aanleiding is om schade te vergoeden.

4.11.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. De reiskosten die appellant heeft moeten maken voor het bijwonen van de zittingen bij de rechtbank en de Raad, komen in beroep voor een bedrag van € 9,84 en in hoger beroep voor een bedrag van € 40,84 (openbaar vervoer 2e klas) voor vergoeding in aanmerking. Er is geen aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van de kosten van aan appellant verleende rechtsbijstand, nu er geen sprake is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De door appellante verzochte vergoeding van kosten van cliëntondersteuner [naam X], wordt afgewezen, reeds omdat de gestelde kosten niet concreet zijn onderbouwd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze

uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 50,68;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in

totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2018.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) G.D. Alting Siberg

TM