Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
06-12-2018
Zaaknummer
17/8265 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De korpschef mocht de afwijzing van het verzoek om bevordering baseren op het negatieve advies van 6 maart 2013 dat appellante niet beschikt over de verwachte geschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 8265 AW

Datum uitspraak: 29 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
16 november 2017, 15/1472 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.D. Dane, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dane. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A.M.A.C. Theunissen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam bij de voormalige politieregio [regio] , laatstelijk in de functie van [functie] ( [functie] ).

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 is op 1 november 2010 de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche in werking getreden (Stcrt. 2010, 19782; circulaire). Eén van de te harmoniseren onderwerpen is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’ (loopbaanbeleid). In die bijlage zijn de afspraken vastgelegd over de mogelijkheden tot doorstroming (bevordering) van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de bevordering van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’. Vermeld is dat het loopbaanbeleid vanaf 1 november 2010 geldt voor alle medewerkers bij de Nederlandse Politie, dat de Raad van korpschefs i.o. zich aan de circulaire heeft geconformeerd en dat het bevoegd gezag deze circulaire dient te volgen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet. Het loopbaanbeleid voor bevordering van schaal 7 naar schaal 8 is met ingang van 1 januari 2013 beëindigd. In april 2013 zijn door de Adviescommissie Loopbaanbeleid GGP van het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) nadere uitvoeringsafspraken vastgelegd.

1.3.

Nadat binnen de Eenheid Amsterdam aanvankelijk verzoeken om bevordering wegens zwaarwegend dienstbelang werden afgewezen, is op 7 februari 2013 in een overleg van het CGOP besloten dat alle voor 1 januari 2013 ingediende aanvragen (opnieuw) in behandeling worden genomen conform de circulaire. Bij de beoordeling van de aanvragen is aan alle leidinggevenden gevraagd te motiveren of de betreffende collega geschikt wordt geacht voor de functie van senior GGP.

1.4.

Op 26 november 2013 hebben de politiechef en de ondernemingsraad van de Eenheid Amsterdam nadere afspraken vastgelegd in een beleidsdocument. Omdat niet in iedere beoordeling standaard de verwachte geschiktheid is opgenomen voor de naasthogere functie, is blijkens punt 7 van het beleidsdocument het volgende overeengekomen:

“A indien een generalist aan alle criteria voldoet en een positief oordeel heeft over de verwachte geschiktheid voor senior GGP in de relevante beoordeling dan is aan alle eisen voldaan en kan betrokkene worden bevorderd;

B indien een generalist aan alle criteria voldoet, maar geen oordeel heeft over de verwachte geschiktheid voor senior GGP in de relevante beoordeling dan mag betrokkene door middel van een assessment die verwachte geschiktheid aantonen, en;

C indien een generalist, naar aanleiding van een vraag van de Eenheidsleiding, een negatief oordeel kreeg van zijn leidinggevende over de verwachte geschiktheid voor senior GGP dan mag betrokkene alsnog door middel van een assessment die verwachte geschiktheid aantonen. Partijen beogen daarmee te bewerkstelligen dat mogelijke ongelijkheid bij die eerdere negatieve oordelen te niet wordt gedaan.”

1.5.

Bij een op 19 oktober 2012 vastgestelde beoordeling is het functioneren van appellante over de periode augustus 2011 tot en met september 2012 beoordeeld als boven de norm.

1.6.

Appellante heeft op 7 december 2012 verzocht om bevordering op grond van het loopbaanbeleid. Dit verzoek is in eerste instantie bij besluit van 11 december 2012 afgewezen wegens zwaarwegend dienstbelang. Op 6 maart 2013 heeft de leidinggevende ten aanzien van appellante negatief geadviseerd over de verwachte geschiktheid voor senior GGP. De leidinggevende heeft aan zijn negatief advies over de verwachte geschiktheid van appellante voor de functie van senior GGP het volgende ten grondslag gelegd:

“ [appellante] heeft voldoende bekwaamheden voor de functie van generalist maar nog onvoldoende voor de functie van senior GGP. Zij heeft wel voldoende kennis voor de functie maar nog te weinig ervaring. Inzicht en vaardigheden voor de functie heeft zij (nog) niet getoond noch concrete prestaties. [appellante] kan door het nemen van (meer) initiatieven meer groeien naar de rol van senior GGP. [appellante] heeft een positieve en loyale houding en kan op termijn groeien naar de functie. Bovenstaand leidt tot een negatief advies.”

1.7.

Vervolgens is appellante bij besluit van 19 maart 2014 in de gelegenheid gesteld om door middel van een assessment de verwachte geschiktheid alsnog aan te tonen. De korpschef heeft het verzoek om bevordering bij besluit van 18 juli 2014 afgewezen op de grond dat appellante, gelet op de uitslag van het assessment, niet voldoet aan het vereiste van de verwachte geschiktheid voor senior GGP.

1.8.

Bij besluit van 25 februari 2015 (bestreden besluit 1) heeft de korpschef de bezwaren tegen de besluiten van 11 december 2012, 19 maart 2014 en 18 juli 2014 ongegrond verklaard.

1.9.

Bij besluit van 3 maart 2016 (bestreden besluit 2) heeft de korpschef, gelet op de uitspraak van de Raad van 26 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:5000), bestreden besluit 1 ingetrokken en het verzoek om bevordering afgewezen, thans op grond van het negatieve advies van de leidinggevende van 6 maart 2013.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover thans van belang, is het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellante bij beoordeling daarvan geen belang meer heeft, en is het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat uit het advies van de leidinggevende van 6 maart 2013 genoegzaam blijkt dat en waarom appellante nog niet voldeed aan het criterium van verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP, zodat de korpschef het verzoek om bevordering mocht afwijzen.

3. De Raad komt aan de hand van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ter beoordeling ligt voor of de korpschef de afwijzing van het verzoek om bevordering heeft mogen baseren op het negatieve advies van 6 maart 2013 dat appellante niet beschikt over de verwachte geschiktheid voor senior GGP. Niet in geschil is dat appellante aan alle overige vereisten voor bevordering voldoet.

3.2.

Appellante heeft in hoger beroep stukken, waaronder een aantal e-mails, ingediend waaruit volgens haar overduidelijk blijkt dat ze wel de verwachte geschiktheid voor senior GGP heeft en de leidinggevende dat ook heeft gezien, nu hij de meeste e-mails in kopie heeft ontvangen. De korpschef heeft hierop een schriftelijke reactie van de leidinggevende van 15 oktober 2018 overgelegd waarin hij heeft aangegeven dat dit zichtbaar is geweest, alleen dat zij hiermee niet de verwachte geschiktheid voor senior GGP heeft laten zien. Ter zitting van de Raad is door de korpschef toegelicht dat appellante binnen haar taakaccent haar werkzaamheden naar alle tevredenheid heeft verricht, maar daarmee niet in doorgaand gedrag seniorwaardig optreden heeft laten zien. De Raad leidt hieruit, uit de overige gedingstukken en uit het verhandelde ter zitting af dat appellante weliswaar als spil/doorgeefluik binnen haar taakaccent extreme overlast - naar alle tevredenheid - heeft opgetreden, maar dat de door haar verrichte werkzaamheden niet op één lijn zijn te stellen met het coördinatievermogen en het coach/mentorschap behorend bij de werkzaamheden van een senior GGP. De Raad ziet mede gelet hierop geen grond voor de conclusie dat het advies op onvoldoende gronden berust en de korpschef op basis hiervan niet in redelijkheid tot een negatief oordeel heeft kunnen komen over de verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP.

3.3.

Gelet op 3.2 wordt appellante niet gevolgd in haar standpunt dat voorbij is gegaan aan de in de beoordeling voor de functie van generalist GGP genoemde competenties die eveneens van belang zijn voor de functie van senior GGP. De Raad deelt de opvatting van de korpschef dat het om een verschil in beleving lijkt te gaan wat betreft de werkzaamheden van appellante in haar taakaccent, die onderdeel uitmaken van haar huidige functie van generalist GGP en waarin zij een functioneren boven de norm heeft laten zien, wat ook door de korpschef wordt onderschreven.

3.4.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:5000) is het beleid van de Eenheid [eenheid] , waarbij een assessment wordt aangeboden na een negatief advies van de leidinggevende over de verwachte geschiktheid van de betrokkene, een gunstige aanvulling op het landelijk beleid. Het assessment biedt dus een extra kans om in het kader van het loopbaanbeleid te worden bevorderd naar senior GGP. In het geval de leidinggevende nog geen verwachting over de geschiktheid heeft uitgesproken, is het - zwaardere - vereiste van een positief assessment echter een beperking van het landelijk beleid. Gelet daarop heeft de korpschef bestreden besluit 1, waarin is geconcludeerd dat het advies van de leidinggevende niet als objectief instrument kon dienen voor de invulling van het criterium van de verwachte geschiktheid, niet langer gehandhaafd en heeft alsnog het negatieve advies van 6 maart 2013 aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag kunnen leggen. Niet gebleken is dat het advies van de leidinggevende van 6 maart 2013 niet langer houdbaar zou zijn, omdat de leidinggevenden na de uitspraak van 26 november 2015 een aanvullende instructie hebben ontvangen ten aanzien van het adviseren over de verwachte geschiktheid. De korpschef heeft ter zitting van de Raad verklaard dat in een e-mail van een HR-medewerker iets in zijn algemeenheid is opgemerkt over de competenties die van een senior verwacht mogen worden, maar dat dit geen officiële status heeft gekregen. Van de zijde van appellante is niet aannemelijk gemaakt dat de inhoud van deze e-mail het advies van 6 maart 2013 onhoudbaar zou hebben gemaakt.

3.5.

Uit 3.2 tot en met 3.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2018.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) F. Demiroğlu

md