Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3859

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
16-4995 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Niet gemelde gezamenlijke huishouding. Voldoende grondslag voor deel van de periode zoals rechtbank heeft overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4995 PW

Datum uitspraak: 20 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 juni 2016, 15/9210 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

het dagelijks bestuur van het Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek

(dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Het dagelijks bestuur heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat, eveneens hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben verweerschriften ingediend en gereageerd op vragen van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgehad op 9 oktober 2018. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Bruggeman. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F.M. van der Meij.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in de gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving tot en met 19 februari 2014 van het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een toeslag ingevolge de Toeslagenwet in aanvulling op haar uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanaf 20 februari 2014 ontving appellante bijstand als alleenstaande ouder, aanvankelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) en vanaf 1 januari 2015 ingevolge de Participatiewet (PW), die met ingang van die datum voor de WWB in de plaats is gekomen. Betrokkene staat sinds 27 september 2006 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, nu basisregistratie persoonsgegevens (BRP), ingeschreven op het adres [adres 1] (uitkeringsadres). Betrokkene heeft samen met [naam] ( [X] ) twee kinderen, geboren op 25 mei 2004 respectievelijk op 1 september 2010. [X] stond tot 25 februari 2015 in de BRP ingeschreven op het adres [adres 2] . Met ingang van die datum staat [X] in de BRP ingeschreven met een briefadres op het uitkeringsadres.

1.2.

Bij besluiten van 27 oktober 2014 heeft het Uwv de toeslag van betrokkene met ingang van 17 september 2012 ingetrokken en de uitbetaalde toeslag over de periode van 17 september 2012 tot en met 19 februari 2014 van haar teruggevorderd. Bij (gewijzigd) besluit van 21 september 2015, voor zover hier van belang, heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard, de toeslag met ingang van 13 februari 2013 ingetrokken en de over de periode van 13 februari 2013 tot en met 19 februari 2014 aan onverschuldigd betaalde toeslag van betrokkene teruggevorderd. Aan dat besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat uit de resultaten van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene betaalde toeslag, neergelegd in een onderzoeksrapport van 29 augustus 2014, is gebleken dat betrokkene en [X] in de periode van 13 februari 2013 tot en met 19 februari 2014 een gezamenlijke huishouding voerden. Na beroep en hoger beroep is dat besluit tot intrekking en terugvordering van de toeslag over voormelde periode met de uitspraak van 24 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:381, in rechte onaantastbaar geworden.

1.3.

Naar aanleiding van het door het Uwv ontvangen onderzoeksrapport heeft het dagelijks bestuur een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht en hebben een bijstandsconsulent en een handhavingsconsulent betrokkene op 31 maart 2015 gehoord. Tijdens dat gesprek heeft betrokkene verklaard bekend te zijn met het onderzoeksrapport van het Uwv, maar het daarmee niet eens te zijn en niet samen te wonen noch te hebben samengewoond met [X] .

1.4.

Bij besluit van 21 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 november 2015 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante met ingang van 20 februari 2014 ingetrokken en de over de periode van 20 februari 2014 tot en met 28 februari 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 21.669,37 van betrokkene teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat betrokkene met [X] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd in de periode met ingang van 20 februari 2014. Betrokkene heeft dit niet aan het dagelijks bestuur gemeld. Betrokkene heeft daarmee de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de intrekking en terugvordering van de bijstand van betrokkene in de periode 12 juli 2014 tot 1 maart 2015 (periode 2) en het dagelijks bestuur opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat -overwogen dat het dagelijks bestuur aannemelijk heeft gemaakt dat [X] gedurende de periode van 20 februari 2013 (lees: 2014) tot en met 11 juli 2014 (periode 1), de datum waarop [X] zijn laatste verklaring heeft afgelegd, zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en dat daarom sprake was van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank acht daarvoor doorslaggevend de verklaringen die [X] op drie verschillende momenten, op 29 juli 2013, 28 mei 2014 en 11 juli 2014, tegenover de politie dan wel tegenover het Uwv heeft afgelegd. In de enkele betwisting daarvan door betrokkene ziet de rechtbank geen aanleiding om de juistheid van de verklaringen van [X] te betwijfelen. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om betrokkene te volgen in haar stelling dat de verklaringen van [X] niet geloofwaardig zouden zijn vanwege zijn medische toestand. Ten aanzien van periode 2 heeft de rechtbank geoordeeld dat onderzoeksbevindingen ontbreken die het standpunt van het dagelijks bestuur zouden kunnen dragen. De verklaring van betrokkene van 25 augustus 2014, afgelegd tegenover een inspecteur van het Uwv, is daarvoor op zichzelf, zonder ondersteunende bewijsmiddelen, onvoldoende.

3.1.

Betrokkene heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover deze periode 1 betreft.

3.2.

Het dagelijks bestuur heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover deze betrekking heeft op periode 2.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB en de PW, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

4.1.2.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB en de PW, voor zover hier van belang, wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren.

4.2.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van betrokkene en [X] kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of betrokkene en [X] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Hoger beroep betrokkene

4.3.

De gronden die betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Betrokkene heeft - kort weergegeven - aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen van het Uwv zich beperken tot een andere periode, te weten de periode van 17 september 2012 tot en met 19 februari 2014, dat zij haar verklaring, opgenomen in het gespreksverslag van 25 augustus 2014, niet heeft ondertekend, zodat hiervan niet mag worden uitgegaan en dat de verklaringen van [X] inconsistenties bevatten. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank over periode 1 en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Daaraan wordt toegevoegd dat de Raad in de onder 1.2 vermelde uitspraak heeft geoordeeld dat de beroepsgronden van betrokkene over de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de door haar en [X] afgelegde verklaringen niet slagen en dat niet gesproken kan worden van een ontoereikend of onzorgvuldig onderzoek door het Uwv. In wat betrokkene daarover in onderhavig hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om op die punten nu tot een ander oordeel te komen.

Hoger beroep dagelijks bestuur

4.4.

Het dagelijks bestuur heeft aangevoerd dat uit de verklaringen van betrokkene en [X] valt af te leiden dat [X] ook in periode 2 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De rechtbank heeft deze verklaringen ten onrechte niet van doorslaggevende betekenis geacht.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat voor de intrekking van de bijstand over periode 2 een toereikende grondslag ontbreekt. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank over periode 2 en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Daaraan wordt toegevoegd dat betrokkene op 25 augustus 2014 onder meer heeft verklaard dat [X] vaak bij haar is voor de kinderen, maar dat hij niet in haar woning verblijft. Op de vraag of betrokkene en [X] al die tijd samenwonen, heeft zij ontkennend geantwoord. In reactie op de verklaring van [X] van 11 juli 2014, dat hij en betrokkene samenwonen vanaf het moment dat hij uit de kliniek kwam - dat wil zeggen: na 12 februari 2013 -, heeft betrokkene weliswaar verklaard dat [X] niet vaak, niet 99% maar eerder 70% van de tijd, bij haar en de kinderen is, maar deze verklaring biedt op zichzelf, zonder enig ander (steun)bewijs, onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat betrokkene en [X] in periode 2 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.6.

Uit 4.3 en 4.5 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld als voorzitter en A. Stehouwer en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2018.

(getekend) M. Schoneveld

(getekend) S. [X] . de Graaff

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

md