Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3855

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
05-12-2018
Zaaknummer
16/4297 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op een Wajonguitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend geconcludeerd dat appellant niet geheel onmachtig is tot functioneren binnens-en buitenshuis. Uitgaande van de juistheid van de FML is door het Uwv afdoende gemotiveerd dat appellant in staat was de geselecteerde functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4297 WWAJ

Datum uitspraak: 21 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

17 mei 2016, 16/956 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.W. Kempe, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kempe, en M. Kok als begeleider. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1973, heeft een door het Uwv op 29 november 2010 ontvangen aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010). Bij besluit van 15 december 2010 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen.

1.2.

Appellant heeft een door het Uwv op 27 oktober 2014 ontvangen aanvraag op grond van de Wajong 2010 ingediend. Op 5 december 2014 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 december 2014. Bij besluit van 8 december 2014 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant kan werken en meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen.

1.3.

Nadat appellant bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 8 december 2014 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat naast de beoordeling van de actuele situatie een beoordeling op de 18e verjaardag en het einde van de scholing moet plaatsvinden. Daarom heeft deze verzekeringsarts een tweede FML opgesteld, die geldig is in 1990, 1994 en 2010. De FML van 5 december 2014 vermeldt de toename van beperkingen voor buigen, zitten en tijdsdruk, aldus deze verzekeringsarts. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat appellant in staat is om loon te verdienen en daarom niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 29 oktober 2015 opgemerkt dat de arbeidsdeskundige niet aan het juiste criterium heeft getoetst. De aanvraag van 27 oktober 2014 had beoordeeld moeten worden als een herhaalde aanvraag, op welke aanvraag het beoordelingskader van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) van toepassing is. De FML van 5 december 2014 blijft van kracht, terwijl de FML van 16 april 2015 doorlopend van toepassing is geacht vanaf 1990 tot en met 2010 en 2014. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van drie functies berekend dat appellant per 14 december 2010 (de datum van het arbeidskundig onderzoek dat ten grondslag lag aan het besluit van

15 december 2010) nog 43,03% en per 27 oktober 2014 (de datum van de voorliggende Wajongaanvraag) 46,23% van het maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Daarbij is als maatmaninkomen genomen het loon in de functie van taxichauffeur, het beroep dat appellant enige tijd heeft uitgeoefend.

1.4.

Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 december 2014 bij besluit van 11 januari 2016 (bestreden besluit) gegrond verklaard, de aanvraag, voor zover die is te zien als een herhaalde aanvraag, afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden en de aanvraag, voor zover die ziet op de toekomst (duuraanspraak), gehonoreerd. Vastgesteld is dat appellant met ingang van 27 oktober 2014 recht heeft op een Wajonguitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft vastgesteld dat het beroep zich toespitst op de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55% per 27 oktober 2014 (datum in geding). De rechtbank is van oordeel dat een zorgvuldige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant heeft plaatsgevonden en dat er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de rapportages van de verzekeringsartsen. Zij heeft vastgesteld dat de verzekeringsartsen in verband met ziekte van appellant meerdere beperkingen hebben aangenomen per 18-jarige leeftijd en dat per 27 oktober 2014 is uitgegaan van een toename van beperkingen. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank niet met concrete medische gegevens onderbouwd dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat uit het in beroep overgelegde huisartsenjournaal geen nieuwe medische gegevens naar voren komen waaruit meer of ernstigere beperkingen blijken. Zij heeft overwogen dat de verwijzing naar de GGZ in februari 2016, dus ruim na de datum in geding, plaatsvond, zodat daaraan geen doorslaggevende betekenis kan worden gehecht. De rechtbank heeft overwogen dat niet kan worden geconcludeerd dat op de datum in geding sprake is van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellant.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij met ingang van 27 oktober 2014 meer beperkt is dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Hij heeft gesteld in verband met ernstig toegenomen pijnklachten en beperkingen, verband houdend met polio en verlamming van zijn linkerbeen, sinds 27 oktober 2014 niet meer zelfredzaam te zijn. Appellant acht zich volledig arbeidsongeschikt. Te weinig beperkingen zijn volgens hem aangenomen in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen. Wat betreft zijn lichamelijke beperkingen heeft appellant erop gewezen dat zijn loopvermogen uiterst beperkt is door zijn kortere en verlamde linkerbeen en zijn daardoor overbelaste rechterbeen. Hij heeft te kennen gegeven niet meer in staat te zijn om auto te rijden of gebruik te maken van het openbaar vervoer. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn lichamelijke beperkingen zijn onderschat, heeft appellant brieven van 1 augustus 2016 en 8 november 2016 van revalidatiearts dr. F.S. Koopman ingezonden. Appellant heeft gesteld door zijn afgenomen fysieke belastbaarheid verergerde psychische klachten te hebben. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat heeft appellant een brief van 12 september 2016 van GZ-psycholoog drs. E. Huiskamp en een brief van 24 februari 2017 van psychiater T. Kleijn overgelegd. Ten onrechte is volgens appellant geen rekening gehouden met de afname van zijn algehele conditie. Hij heeft gesteld dat uit preventief oogpunt een urenbeperking had moeten worden aangenomen. Appellant heeft de Raad verzocht om een deskundige te benoemen om zijn psychische stoornis en de daaruit voortvloeiende beperkingen vast te stellen. Hij heeft gesteld dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor hem omdat hij niet langdurig achtereen kan zitten en staan, hij niet in staat is om twee kilo te tillen en omdat hij geen auto kan besturen. Hij heeft voorts gesteld dat een toelichting op de signalering ten aanzien van het aspect zitten ontbreekt.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar rapporten van 22 september 2016, 9 februari 2017, en 26 februari 2018 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt voorop dat partijen alleen van mening verschillen over de medische en arbeidskundige toestand van appellant met ingang van 27 oktober 2014.

4.2.

In zijn uitspraak van 8 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1111) heeft de Raad geoordeeld dat aanvragen voor toekenning van een uitkering op grond van de Wajong 2010 die na 1 januari 2010 zijn ingediend door personen die geboren zijn voor 1 januari 1980, moeten worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in de AAW. Appellant is op 4 november 1973 geboren. In zijn situatie is deze rechtspraak van toepassing. Het Uwv heeft, voor zover hier van belang, de Wajongaanvraag van appellant dan ook terecht beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader van de AAW.

4.3.

Op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit kan bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van het arbeidskundig onderzoek worden afgezien gedurende de periode waarin uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft. Ingevolge artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit zijn alleen dan geen benutbare mogelijkheden als hiervoor bedoeld aanwezig indien:

a. betrokkene is opgenomen in een ziekenhuis of een op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten erkende instelling, met uitzondering van een inrichting waar geestelijk gestoorde delinquenten van overheidswege verpleegd worden;

b. betrokkene bedlegerig is;

c. betrokkene voor het uitvoeren van activiteiten van het dagelijks leven dermate afhankelijk is dat hij lichamelijk niet zelfredzaam is; of

d. betrokkene in zijn zelfverzorging, in zijn directe samenlevingsverband als ook in zijn sociale contacten, waaronder zijn werkrelaties, niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit de gedingstukken en wat appellant in beroep heeft aangevoerd niet kan worden geconcludeerd dat er op 27 oktober 2014 sprake was van één van de in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit genoemde situaties. Appellant was op de datum in geding niet opgenomen en niet bedlegerig. De verzekeringsarts heeft op inzichtelijke wijze overwogen dat appellant ‘op microniveau redelijk zelfstandig is’, ‘op mesoniveau sprake is van verminderd functioneren’ en ‘hij zich niet manifesteert op macroniveau’. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens navolgbaar verwoord dat het functioneren van appellant in de thuissituatie weliswaar beperkt is, maar dat wat in diverse functies wordt gevraagd niet zelden minder belastend is dan waar iemand thuis voor staat. Deze arts heeft overtuigend geconcludeerd dat appellant niet geheel onmachtig is tot functioneren binnens- en buitenshuis. De in hoger beroep ingebrachte gegevens leiden niet tot een ander oordeel. Daarbij wordt betrokken dat de revalidatiearts heeft vermeld dat de zelfverzorging zelfstandig is en niet beperkt. Ook anderszins is in wat in hoger beroep naar voren is gebracht geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat het Uwv ten onrechte is uitgegaan van benutbare mogelijkheden per datum in geding.

4.5.

De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat lopen beperkt mogelijk is (circa 5 minuten), staan beperkt mogelijk is (hooguit een paar minuten achtereen) en ook zitten. In de FML van 5 december 2014 heeft dat zich vertaald naar een beperking op lopen (kan ongeveer een kwartier achtereen lopen, met als toelichting dat lopen moeilijk gaat en in langzamer tempo, en zo nodig kan dat slechts gedurende een beperkt deel van de werkdag, ongeveer 1 uur). Op staan (tijdens werk) is appellant sterk beperkt geacht (kan minder dan ongeveer 5 minuten achteren staan, gedurende minder dan ongeveer een half uur per werkdag). Op zitten is appellant licht beperkt geacht, ongeveer een uur achtereen, zo nodig gedurende het grootste deel van de werkdag (niet meer dan 8 uur). Verder is appellant in staat geacht het grootste deel van de werkdag te zitten (niet meer dan acht uur). Appellant heeft zelf niet concreet toegelicht op welke aspecten hij nog meer of verdergaand beperkt is. Op de in hoger beroep overgelegde informatie van revalidatiearts F.S. Koopman van 1 augustus 2016 en

8 november 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bovendien op overtuigende wijze gereageerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten eerste opgemerkt dat de bevindingen van de revalidatiearts van ruim na de datum in geding zijn. Bovendien bevestigen die bevindingen de FML en weerspreken zij de aanname dat appellant in het geheel niet kan functioneren. Daartoe is erop gewezen dat de revalidatiearts niet een klinische maar een poliklinische behandeling aangewezen acht, uitgaande van een belastbare uitgangssituatie.

4.6.

Uit de informatie van de behandelend psycholoog blijkt dat voor appellant de diagnoses ernstige geagiteerde depressie, paniekstoornis met agorafobie en ‘periodieke explosieve stoornis’ zijn gesteld. Appellant is echter pas sinds mei 2016 bij deze psycholoog in behandeling, na een verwijzing door zijn huisarts van 16 februari 2016. Appellant heeft de psycholoog weliswaar verteld dat zijn klachten de laatste 2 tot 3 jaar zijn verergerd nadat zijn neefje is overleden, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van

22 september 2016 overtuigend verwoord dat de informatie van de psycholoog geen kwantitatief en kwalitatief toereikende gegevens over het toestandsbeeld in 2014 bevat.

4.7.

Appellant heeft aangevoerd dat in verband met zijn pijnklachten op preventieve gronden een urenbeperking had moeten worden aangenomen. Ingevolge de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid van 8 juli 2015 dient het bij de indicatie preventief te gaan om een aandoening waarvan bekend is dat ziekteverschijnselen kunnen optreden of verergeren bij een toenemende duurbelasting. De verzekeringsarts schat de duurbelastbaarheid in waarboven ziekteverschijnselen optreden of verergeren. Hij betrekt hierbij altijd in het verleden opgedane ervaringen. De duurbelastbaarheid wordt alleen op preventieve gronden beperkt bij bepaalde typen aandoeningen. Het gaat om aandoeningen die gepaard gaan met een patroon van overschrijding van de eigen grenzen met recidief of toename van symptomen, zelfoverschatting door de cliënt en een beperkt ziektebesef.

Te denken valt aan de volgende aandoeningen: bipolaire stoornis, recidiverende manische episodes, psychose, narcistische persoonlijkheidsstoornis, frontaal syndroom, verstandelijke beperking, multiple sclerose, sommige auto-immuunaandoeningen en ernstige vormen van cluster C persoonlijkheidsstoornissen. De effectiviteit van een maatregel als vermindering van de duurbelasting als middel ter preventie van overbelasting is vaak niet bekend. Daarom betrekt de verzekeringsarts bij zijn oordeelsvorming altijd in het verleden opgedane ervaringen, vooral die welke een aanwijzing kunnen zijn dat de duurbelasting te groot is geweest. Wat in algemene zin geldt, geldt nadrukkelijk ook als op grond van de indicatie preventief een beperking van de duurbelastbaarheid wordt overwogen: de verzekeringsarts beoordeelt in eerste instantie of de problematiek van cliënt door het aangeven van een beperkte belastbaarheid op andere punten kan worden opgelost. Van een aandoening als de hiervoor vermelde is geen sprake. Bovendien is voor appellant al op veel punten een beperkte belastbaarheid aangenomen.

4.8.

De rechtbank wordt ook gevolgd in het oordeel dat, uitgaande van de juistheid van de FML van 5 december 2014, door het Uwv afdoende is gemotiveerd dat appellant op 27 oktober 2014 in staat was de geselecteerde functies te verrichten. Dat geldt ook voor de functie besteller post/pakketten, waartoe met name wordt verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 oktober 2015. Appellant was op de datum in geding in staat om auto te rijden. Ter zitting heeft appellant verklaard nog steeds auto te rijden, zij het steeds minder. Voor zover er sprake is van toename van de beperkingen na de datum in geding kunnen deze in het kader van deze procedure geen rol spelen.

4.9.

Appellant heeft verzocht om raadpleging van een deskundige in verband met zijn psychische klachten. Er is geen aanleiding dit verzoek in te willigen, omdat de daartoe noodzakelijke twijfel aan de medische beoordeling die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit ontbreekt.

5. De overwegingen in 4.3 tot en met 4.9 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Dit betekent dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en J.J.T. van den Corput en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2018.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M.A.E. Lageweg

NW