Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3850

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
17-1946 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag in verband met niet overleggen Turkse bankafschriften.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1946 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 februari 2017, 16/5014 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

Datum uitspraak: 27 november 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Bij brief van 13 augustus 2018 heeft mr. H.H. Acun, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2018. Namens appellante is verschenen mr. Acun. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft zich op 10 maart 2015 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). In de aanvraag heeft zij 8 september 2014 opgegeven als gewenste ingangsdatum.

1.2.

Bij brief van 24 april 2015 heeft het college appellante verzocht om uiterlijk 8 mei 2015 diverse stukken over te leggen, waaronder alle bankafschriften van haar Turkse bankrekening over de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2007 en vanaf 1 januari 2013, alsmede een overzicht van haar Turkse pensioen waaruit blijkt hoeveel zij per maand ontvangt. Appellante heeft naar aanleiding hiervan wel enkele gegevens verstrekt, maar niet alle gegevens waarom was gevraagd. Bij brief van 21 mei 2015 heeft het college appellante verzocht uiterlijk 4 juni 2015 de nog ontbrekende gegevens over te leggen, waaronder genoemde bankafschriften.

1.3.

Bij besluit van 8 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 juni 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld doordat appellante geen bankafschriften met saldi van haar Turkse bankrekening heeft overgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, onder verwijzing naar de uitspraak van 11 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:799, overwogen dat bij een aanvraag om bijstand de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf rust. De aanvrager dient daarbij duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het is daarom aan appellante om duidelijkheid te verschaffen over haar actuele financiële situatie. Inzicht in tegoeden op (buitenlandse) bank- en spaarrekeningen is daarvoor bij uitstek van belang. Nu appellante geen afschriften van haar Turkse bankrekening heeft overgelegd, is het voor het college niet mogelijk het vermogen en dus het recht op bijstand vast te stellen. De stelling van appellante dat haar Turkse bank weigert afschriften over te leggen waarop saldi zichtbaar zijn, acht de rechtbank, bij ontbreken van enig inzicht in de door appellante verrichte inspanningen om die saldi te verkrijgen van haar Turkse bank, onvoldoende geloofwaardig.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Evenals in bezwaar en beroep voert appellante aan dat zij recht heeft op bijstand. Sinds 8 september 2014 ontvangt zij geen bijstand meer waardoor zij een negatief vermogen heeft gekregen. Er zijn namelijk schulden ontstaan tot een bedrag van € 6.596,86, daarnaast heeft zij een schuld aan het college van € 32.032,32.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.

4.2.

De Raad voegt hieraan het volgende toe. De stelling van appellante ter zitting dat haar niet duidelijk was dat zij afschriften van haar Turkse bankrekening moet overleggen waarop saldi zichtbaar zijn, slaagt niet. In de brieven van het college van 24 april 2015 en 21 mei 2015 staat duidelijk vermeld dat op de te overleggen afschriften van de Turkse bankrekening het saldo, de tenaamstelling, het rekeningnummer en alle mutaties moeten zijn vermeld. Ook in hoger beroep heeft appellante de stelling dat het niet mogelijk is om afschriften van haar Turkse bankrekening over te leggen waarop saldi zichtbaar zijn, niet onderbouwd. Zij heeft geen concrete en verifieerbare stukken overgelegd. Die stelling kan er niet toe leiden dat het bestreden besluit geen stand kan houden.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.A. de Graaff

md