Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3849

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
17-3918 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door appellant verrichte vrijwilligerswerk is geen voorziening gericht op arbeidsinschakeling nu appellant volledig is vrijgesteld van arbeidsverplichtingen. Appellant komt niet in aanmerking voor hoge vrijwilligersvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/10
JWWB 2019/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3918 PW

Datum uitspraak: 27 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 mei 2017, 16/2172 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.F.A. Bronneberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2018. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door I. Aydogan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Appellant verricht vanaf 1 februari 2016 vrijwilligerswerk voor het bestuur van [vereniging] . Hij is bestuurslid en ontvangt hiervoor een vrijwilligersvergoeding van € 125,- per maand.

1.2.

Bij besluit van 3 maart 2016 heeft het college appellant meegedeeld dat van de door hem vanaf 1 februari 2016 ontvangen vrijwilligersvergoeding een bedrag van € 95,- per maand wordt vrijgelaten tot een maximum van € 764,- per jaar en dat het meerdere wordt gekort op de bijstand die hij ontvangt.

1.3.

Bij afzonderlijk besluit van 3 maart 2016 heeft het college appellant meegedeeld dat het in 1.2 vermelde besluit tot gevolg heeft dat het college maandelijks een bedrag van € 30,- gaat inhouden op de bijstand die hij ontvangt. Wanneer de maximale vrijlating van € 764,- is bereikt, wordt de volledige vrijwilligersvergoeding in mindering gebracht op de bijstand.

1.4.

Bij besluit van 15 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 3 maart 2016 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat in dit geval de zogenoemde lage vrijlating als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder h, van de Regeling PW, IOAW en IOAZ (Regeling) van toepassing is. Daarbij is het college ervan uitgegaan dat appellant zijn vrijwilligerswerk niet uitvoert in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Ook heeft het college een dergelijke voorziening niet aangeboden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de PW is bepaald dat een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag niet tot de middelen van de belanghebbende wordt gerekend. De Regeling is de hier bedoelde ministeriële regeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 7, aanhef en onder h, van de Regeling, zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang, worden niet tot de middelen, bedoeld in artikel 31 van de wet, gerekend: een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 95,- per maand met een maximum van € 764,- per jaar, dan wel een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet van ten hoogste € 150,- per maand met een maximum van € 1.500,- per jaar.

4.1.2.

Bij Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 december 2015 (Staatscourant 22 december 2005, nummer 249, pagina 35) is de Regeling met ingang van 1 januari 2006 gewijzigd en vastgesteld als weergegeven onder 4.1.1. In de toelichting bij de wijziging van de Regeling is het volgende opgenomen:

“Het kabinet wil (…) gemeenten (…) de mogelijkheid bieden om, in het geval het vrijwilligerswerk plaatsvindt in het kader van een voorziening gericht op de arbeidsinschakeling, aan te sluiten bij de onbelaste kostenvergoeding zoals deze per

1 januari 2006 zal gaan gelden (…). Het gaat hierbij om die gevallen, waarin het college het aanbieden van vrijwilligerswerk noodzakelijk acht in het kader van de arbeidsinschakeling.

In alle andere gevallen bedraagt de hoogte van de (…) vrijgelaten kostenvergoeding € 95,- per maand met een maximum van € 764,- per jaar. (…).”

4.1.3.

Vanaf 1 april 2017 is artikel 7, aanhef en onder h, van de Regeling gewijzigd in die zin dat de kostenvergoeding steeds € 150,- per maand bedraagt, met een maximum van € 1.500,-. Deze bedragen gelden dus ongeacht of het vrijwilligerswerk in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt verricht

4.2.

De beroepsgrond dat het door appellant verrichte vrijwilligerswerk een voorziening gericht op arbeidsinschakeling betreft, zodat hij in aanmerking komt voor de hoge vrijwilligersvergoeding, slaagt niet. Hiervoor is van belang dat het college appellant sinds 2012 wegens medische beperkingen volledig heeft vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen. Nu het om die reden niet mogelijk was om appellant naar regulier werk te begeleiden, kan het vrijwilligerswerk reeds daarom niet worden aangemerkt als een voorziening, gericht op de arbeidsinschakeling.

4.3.

De beroepsgrond dat het college artikel 7, aanhef en onder h, van de Regeling zoals dat vanaf 1 april 2017 geldt ook al vóór 1 april 2017 had moeten toepassen, slaagt evenmin. Ten tijde van het bestreden besluit was de nieuwe bepaling nog niet in werking getreden. Bij de wijziging van artikel 7 van de Regeling per 1 april 2017 is niet in overgangsrecht voorzien. Daarom was artikel 7 van de Regeling, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit van toepassing. In de omstandigheid dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij brief van 10 maart 2017 heeft gemotiveerd waarom voor één tarief is gekozen, behoefde het college geen aanleiding te zien om te anticiperen op de bepaling zoals deze vanaf 1 april 2017 zou gaan gelden.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van

J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2018.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) J.M.M. van Dalen

md