Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3843

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
17/6787 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:5649, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel in verband met niet verschijnen op gesprek. College heeft in strijd met Verordening gehandeld door appellant niet in gelegenheid te stellen een zienswijze te geven. Reparatie met artikel 6:22 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6787 PW

Datum uitspraak: 13 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 september 2017, 17/1513 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. van Rijsewijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 17/6790 PW plaatsgevonden op 2 oktober 2018. Namens appellant is mr. Van Rijsewijk verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L.M. Claessen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Appellant stond ten tijde hier van belang onder bewind van [naam] bewindvoering te [plaatsnaam] (bewindvoerder).

1.2.

In het kader van een onderzoek naar de mogelijkheden van appellant op de arbeidsmarkt en aangaande participatie heeft het college appellant een uitnodiging gestuurd voor een intakegesprek op 3 oktober 2016. Bij brief van dezelfde datum heeft het college appellant bericht dat hij zonder bericht van verhindering niet is verschenen op het intakegesprek van 3 oktober 2016 en dat hij opnieuw wordt uitgenodigd voor een intakegesprek op 12 oktober 2016. Appellant is zonder bericht van verhindering op 12 oktober 2016 niet verschenen.

1.3.

Bij brief van 13 oktober 2016 heeft het college appellant vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 18 oktober 2016. Appellant is ook daar niet verschenen.

1.4.

Bij besluit van 24 oktober 2016, gehandhaafd bij het besluit van 12 januari 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant vanaf 1 november 2016 tot en met 31 december 2016 met 100% verlaagd. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant zonder bericht van verhindering niet is verschenen op de intakegesprekken van 3 en 12 oktober 2016. Op 18 oktober 2016 was een rechtmatigheidsgesprek gepland dat primair tot doel had om appellant de gelegenheid te bieden om zijn zienswijze voor wat betreft het niet verschijnen op de intakegesprekken kenbaar te maken. Weliswaar kan niet worden vastgesteld dat de brief van 13 oktober 2016 waarin appellant is uitgenodigd voor dat gesprek door de bewindvoerder is ontvangen, maar appellant is tijdens de hoorzitting op 30 november 2016 alsnog in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. Daarmee zijn eventuele motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken in het besluit van 24 oktober 2016 voldoende hersteld. In verband met recidive is de duur van de maatregel verdubbeld. Er zijn geen dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat hij zijn zienswijze niet heeft kunnen geven voordat de maatregel werd opgelegd en dat hij hierdoor in zijn belang is geschaad. Het geven van een zienswijze in bezwaar en beroep kan niet op één lijn worden gesteld met het geven van een zienswijze voordat de beschikking wordt vastgesteld, omdat er dan nog een kans bestaat dat de maatregel niet wordt opgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Op grond van het vierde lid, aanhef en onder h, van dit artikel verlaagt het college in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichting om gebruik te maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Op grond van het vijfde lid, eerste volzin, verlaagt het college, in het geval van het niet nakomen van een verplichting bedoeld in het vierde lid, de bijstand met 100% voor een bij de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de PW, vastgestelde periode van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden.

Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verlagen van de bijstand (…) en de periode van verlaging van de bijstand (…).

4.1.1

Aan artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW is uitvoering gegeven bij de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015 (Verzamelverordening), die op 1 januari 2015 in werking is getreden.

In artikel 26 van de Verzamelverordening is bepaald dat voordat de uitkering wordt verlaagd, de belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Hiervan kan worden afgezien als:

a. de belanghebbende zijn zienswijze al eerder kenbaar heeft gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden; of

c. het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.

4.1.2.

In artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, voor zover van belang, bepaald dat een besluit waartegen bezwaar of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een ongeschreven rechtsbeginsel in stand kan worden gelaten, indien aannemelijk is dat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld.

4.2.

In geschil is of de maatregel terecht is opgelegd. Niet in geschil is dat appellant verwijtbaar niet op de intakegesprekken van 3 en 12 oktober 2016 is verschenen.

4.3.

Appellant heeft terecht aangevoerd dat het college, door het besluit van 24 oktober 2016 te nemen zonder dat appellant daarover zijn zienswijze heeft kunnen geven, heeft gehandeld in strijd met artikel 26 van de Verordening.

4.4.

Dit betekent evenwel niet dat het hoger beroep slaagt. Noch de Awb, noch de Verordening regelen de gevolgen van schending van artikel 26 van de Verordening. Van belang is dat appellant de juistheid van de maatregel niet heeft bestreden. Het is daarom niet aannemelijk dat het geven van een zienswijze vooraf aan het opleggen van de maatregel tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Dat betekent dat, nu appellant wel bij de hoorzitting in bezwaar is gehoord en ook in beroep en hoger beroep zijn zienswijze kenbaar heeft kunnen maken, de belanghebbenden door de schending van artikel 26 van de Verordening niet zijn benadeeld, zodat het besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand kan worden gelaten. Dat appellant, zoals hij ter zitting heeft gesteld, de maatregel tot voorwerp van uitruil in andere kwesties met het college wilde maken, kan niet maken dat de maatregel moet komen te vervallen.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Gelet op 4.4 bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 1.002,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.004,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.L. Boxum en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) L.V. van Donk

ew