Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:383

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
08-02-2018
Zaaknummer
16/826 BABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ligging van gehandicaptenparkeerplaats. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de gronden van beroep en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. Appellant heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij meer beperkingen ondervindt bij het in en uit de auto stappen als gevolg van de aanwijzing van de nieuwe parkeerplaats, die een meter dichterbij zijn woning is gesitueerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de omstandigheid dat het uitzicht van de betrokkenen werd belemmerd, heeft mogen meewegen bij het bestreden besluit. Het college heeft het redelijk kunnen achten dat appellant de (eventuele) nadelige gevolgen van de nieuwe situering draagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/826 BABW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 september 2015, 14/5714 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

[Betrokkene 1] en [betrokkene 2] te [woonplaats] als derde-belanghebbenden (betrokkenen)

Datum uitspraak: 7 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. de Haan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Namens betrokkenen heeft mr. B. van Garderen, advocaat, bericht dat betrokkenen als derde‑belanghebbenden aan het geding deelnemen.

Mr. R. Zwiers heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Zwiers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.J.A. van der Schaal en H.J.J.M. Vermeulen. Betrokkenen zijn verschenen, bijgestaan door mr. L. Boersma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woont aan de [adres 1] . Betrokkenen wonen naast appellant aan de [adres 2] . Voorheen woonde appellant aan de overkant van de straat op [adres 3] . Het college heeft toen bij besluit van 14 januari 2004 bij die woning een gehandicaptenparkeerplaats toegewezen. Nadat appellant is verhuisd naar zijn huidige adres, is de gehandicaptenparkeerplaats verplaatst, waarbij deze deels voor zijn eigen woning en deels voor de woning van betrokkenen is gesitueerd. Op 5 november 2013 heeft appellant een aanvraag ingediend voor het verlengen van deze gehandicaptenparkeerplaats met 50 centimeter.

1.2.

Bij besluit van 27 maart 2014 heeft het college een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken aangewezen aan de [adres 1] ter hoogte van huisnummer [adres 1] te bewerkstelligen door het plaatsen van het verkeersbord E6 en onderbord OB309. Uit de situatietekening komt naar voren dat de parkeerplaats deels voor de woning van appellant en deels voor de woning van betrokkenen ligt.

1.3.

Tegen dit besluit hebben betrokkenen bezwaar gemaakt. Het bezwaar is gericht tegen de ligging van de gehandicaptenparkeerplaats. Nu deze zich voor een aanzienlijk gedeelte voor hun woning bevindt, wordt volgens betrokkenen het uitzicht belemmerd.

1.4.

Bij besluit van 11 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het college onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie het bezwaar van betrokkenen gegrond verklaard, het besluit van 27 maart 2014 herroepen en besloten de gehandicaptenparkeerplaats te verplaatsen tot voor de woning van appellant.

1.5.

Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het besluit van 27 maart 2014 geen herhaling is van een eerder verkeersbesluit. Bij besluit van 14 januari 2004 heeft het college aan appellant een gehandicaptenparkeerplaats toegewezen voor de locatie aan de [adres 3] . Sindsdien zijn er tot het besluit van 27 maart 2014 geen verkeersbesluiten (meer) genomen strekkend tot wijzigingen van de gehandicaptenparkeerplaats. Dat besluit is op rechtsgevolg gericht en dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het betoog van appellant dat het college het bezwaar van betrokkenen niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat geen besluit is genomen, slaagt dan ook niet. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college op grond van de Wegenverkeerswet 1994 en het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer bevoegd is tot het nemen van verkeersbesluiten. Dit is ook het geval nu appellant niet zelf een aanvraag heeft gedaan om een gehandicaptenparkeerplaats, maar heeft verzocht om een verlenging van de gehandicaptenparkeerplaats. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de bij het bestreden besluit aangewezen parkeerplaats ongeschikt is voor de met de aanwijzing als gehandicaptenparkeerplaats te dienen doelen. Appellant heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij meer beperkingen ondervindt bij het in en uit de auto stappen als gevolg van de aanwijzing van de nieuwe parkeerplaats, die een meter dichterbij zijn woning is gesitueerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de omstandigheid dat het uitzicht van de betrokkenen werd belemmerd, heeft mogen meewegen bij het bestreden besluit. Het college heeft het redelijk kunnen achten dat appellant de (eventuele) nadelige gevolgen van de nieuwe situering draagt. Dat betrokkenen gedurende vijf jaar niet hebben geklaagd over de situatie dat de gehandicaptenparkeerplaats van appellant deels voor hun woning was gesitueerd maakt niet dat zij thans geen belang hebben bij de onderhavige besluitvorming. Mede gelet op de terughoudende toets die de rechtbank in zaken als deze moet aanleggen, heeft het college in redelijkheid tot de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde belangenafweging kunnen komen en de gehandicaptenparkeerplaats mogen aanwijzen op de plaats (geheel) gelegen voor de woning aan de [adres 1] . Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat het college voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van appellant, nu niet gebleken is dat appellant op medische gronden niet in staat is om de gehandicaptenparkeerplaats gelegen voor zijn huis te bereiken.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft in hoger beroep voornamelijk herhaald wat hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Volgens appellant heeft het college in redelijkheid niet tot zijn besluit kunnen komen. Er was al een verkeersbesluit genomen en het college had niet nogmaals een verkeersbesluit mogen nemen. Doordat ten onrechte een verkeersbesluit is genomen, had het college de betrokkenen niet in hun bezwaar mogen ontvangen. Bij het nemen van het besluit is bovendien onvoldoende rekening gehouden met de belangen van appellant als houder van de gehandicaptenparkeerplaats.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de gronden van beroep en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. In wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen reden gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen.

4.2.

Uit wat onder 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.C. Borman

NW