Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3824

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2018
Datum publicatie
04-12-2018
Zaaknummer
17/5549 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vanaf 1 mei 2010 (artikel 18 van Vo 987/2009) verzoek tot sluiten regularisatieovereenkomst indienen bij Luxemburgse autoriteiten. Zijn echter niet bij uitsluiting beslissingsbevoegd. Besluit Svb zal opgevat als een weigering om en kan en zal inhoudelijk worden getoetst. Rijnvarendenovereenkomst van toepassing. De Raad heeft eerder geoordeeld dat het niet onredelijk is hoe Svb toepassing geeft aan artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag. Op gelijke wijze geoordeeld over personen die onder de Rijnvarendenovereenkomst vallen. Onderzoek naar bijzondere omstandigheden. Appellant was in de betrokken periode directeur en enig aandeelhouder van de onderneming die het schip waarop zij werkten, exploiteerde. In die omstandigheden moet voor appellant en appellante op zijn minst redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat er sprake was van een constructie om premieheffing krachtens de Nederlandse socialezekerheidswetgeving te vermijden. Beroep op rechtszekerheidsbeginsel slaagt niet. Geen nader onderzoek naar bijzondere omstandigheden in verband met doelbewuste constructie. Redelijke termijn niet overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2019/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5549 AOW, 17/5550 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

30 juni 2017, 15/7758 en 15/7759 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats] (samen: appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 22 november 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.J. van Dam, advocaat, hoger beroep ingesteld. De gronden van dit beroep zijn ingediend door mr. J.H. Weermeijer.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2018, gevoegd met een aantal soortgelijke zaken. Voor appellanten is mr. Weermeijer verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg, mr. M.M.T. Wickenhagen en mr. A. Marijnissen.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In de verschillende zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Feiten

1.1.

Appellant vaart in de Rijnvaart als kapitein op een binnenvaartschip dat eigendom is van een in Nederland gevestigde onderneming waarvan hij zelf directeur en enig aandeelhouder is. Appellante vaart op datzelfde schip als matroos. Formeel zijn beiden in dienst van een in Luxemburg gevestigde onderneming: tot mei 2010 [SA 1] en daarna [SA 2] . In antwoord op vragen van de rechtbank hebben appellanten te kennen gegeven dat zij sinds 2002 gebruik maken van een constructie als hier aan de orde. Vanaf 2002 is op appellanten Luxemburgs sociaalzekerheidsrecht van toepassing geacht. Bij brieven van 5 februari 2013 heeft de Belastingdienst aan appellanten te kennen gegeven dat zij over 2010 onderworpen worden geacht aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Met de Luxemburgse autoriteit is op grond van artikel 16 van Verordening (EG) 883/2004 (Vo 883/2004), mede gezien de tussen de EU-lidstaten België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland gesloten zogenoemde Rijnvarendenovereenkomst (Stcrt. nr. 3397 van 25 februari 2011, als gerectificeerd in Stcrt. nr. 3397 van 7 maart 2011) een regularisatieovereenkomst gesloten, als gevolg waarvan over 2010 op appellanten alsnog de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving van toepassing is.

Verzoeken aan de Svb

1.2.

Bij brieven van 14 april 2014 is aan de Svb verzocht om door middel van het afsluiten van overeenkomsten als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (Rijnvarendenverdrag) te bewerkstelligen dat de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving ook over de jaren 2011 en 2012 op appellant van toepassing is, en over het jaar 2012 op appellante.

Primaire besluiten

1.3.

Bij besluiten van 27 juni 2014 en 14 juli 2014 heeft de Svb de verzoeken afgewezen. Daarbij is erop gewezen dat de Svb appellant op 12 februari 2014 heeft laten weten dat zijn verzekeringspositie over 2010 was geregulariseerd. Vanaf dat moment kon appellant weten dat hij ook over de jaren na 2010 verplicht sociaal verzekerd was in Nederland.

Beslissing op bezwaar

1.4.

Bij beslissingen op bezwaar van 11 november 2015 (bestreden besluiten) heeft de Svb de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 27 juni 2014 en 14 juli 2014 ongegrond verklaard. In het aan appellant gerichte bestreden besluit (bestreden besluit 1) is overwogen:

“In 2011 en 2012 werkte u in dienstbetrekking bij [SA 2] te Luxemburg. U verrichtte uw werkzaamheden aan boord van het Rijnvaartschip [naam schip 1] . Het schip was ten tijde in geding eigendom van [eigenaar 1] , die tevens de exploitant van het schip was in 2011 en 2012.

Uit informatie van de Belastingdienst en aan de SVB ten dienst staande gegevens is gebleken dat u voor 100% aandeelhouder bent van [eigenaar 1] .

(…)

Vanaf in ieder geval 2010 werkte u aan boord van een in Nederland geregistreerd schip ( [naam schip 2] ) waarvan de eigenaar, [eigenaar 2] gevestigd te [gemeente] tevens de exploitant is. U bent zelf voor 100% aandeelhouder en tevens directeur van deze vennootschap. Gezien het gestelde in de Rijnvaartovereenkomst (lees: Rijnvarendenovereenkomst) betekent dit dat op u feitelijk de Nederlandse sociale wetgeving van toepassing was.

Vanaf 2011 werkte u aan boord van een in Nederland geregistreerd schip ( [naam schip 1] ) met een Nederlandse exploitant namelijk [eigenaar 1] , waarvan u naast 100% eigenaar ook algemeen directeur bent. Nu zich hier een vergelijkbaar feitencomplex voordoet als 2010 is de SVB van mening dat, zoal er niet sprake is van een doelbewust gecreëerde situatie, het u in de hoedanigheid als eigenaar en algemeen directeur van de exploitant van het schip, redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat op u de Nederlandse sociale wetgeving van toepassing was en dat u in Nederland premieplichtig was. Ondanks deze wetenschap bent u ook in 2011 en 2012 doorgegaan met premiebetaling in Luxemburg in plaats van in Nederland. U had eerder kunnen en moeten ingrijpen door niet langer in Luxemburg maar in Nederland premies af te (laten) dragen.”

Het aan appellante gerichte bestreden besluit (bestreden besluit 2) is op vergelijkbare wijze gemotiveerd, met dien verstande dat het haar, als echtgenote van de eigenaar en algemeen directeur van de exploitant van het schip, redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat op haar de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing was.

Uitspraak van de rechtbank

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de Svb voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de situatie doelbewust is gecreëerd en dit appellanten redelijkerwijs duidelijk kon zijn. Daarbij is van belang geacht dat appellant in de betrokken periode directeur en enig aandeelhouder was van de onderneming die het schip waarop zij werkten, exploiteerde. In plaats van de uitbetaling van de lonen door zijn onderneming te laten plaatsvinden, heeft appellant ervoor gekozen daarvoor een in Luxemburg gevestigde onderneming in te schakelen. Dat dit een ander doel had dan het vermijden van Nederlandse belasting- en premieheffing, is niet aannemelijk geworden. Tegenover de betwisting door de Svb heeft appellant volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden van de Luxemburgse onderneming uit meer bestonden dan het uitbetalen van de lonen van appellanten. Het voorgaande geldt ook voor appellante. Appellante is niet alleen gehuwd met appellant, maar was ook werkzaam op hetzelfde schip en bekend met het feit dat appellant in de betrokken periode directeur en enig aandeelhouder was van de onderneming die het schip waarop zij werkten, exploiteerde. Dat betekent dat het ook voor haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat de situatie doelbewust was gecreëerd.

2.2.

Aan het voorgaande doet volgens de rechtbank niet af dat regularisatie voor het jaar 2010 kort voor het primaire besluit door de Svb wel is toegestaan. De Svb is niet gehouden om een met de wet strijdige handelwijze ongewijzigd voort te zetten. Bovendien staat in de regularisatiebeschikking die voor 2010 is gegeven, niet dat voor latere jaren bij ongewijzigde omstandigheden eveneens een regularisatiebeschikking zal worden afgegeven. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan daarom niet slagen.

Standpunten in hoger beroep

Standpunt appellanten

3.1.1.

Appellanten hebben zich primair op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte negeert dat de Svb onbevoegd was om de regularisatieverzoeken in behandeling te nemen. De Svb had deze verzoeken moeten doorzenden naar de Luxemburgse bevoegde autoriteit.

3.1.2.

Subsidiair hebben appellanten betwist dat sprake is geweest van het doelbewust creëren van een situatie. Zij stellen dat op grond van het beleid van de Svb voor het mogen weigeren van medewerking aan een regularisatieovereenkomst niet alleen is vereist dat er sprake is geweest van een constructie, maar ook dat betrokkenen dit wisten of konden weten. Dit was niet het geval. Verder dragen appellanten aan dat uit het Rijnvarendenverdrag en Vo 883/2004 niet volgt dat wetenschap van een betrokkene dat hij niet in het bevoegde land premies afdraagt, een criterium is voor het wel of niet aangaan van een regularisatieovereenkomst.

3.1.3.

Meer subsidiair achten appellanten de bestreden besluiten in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Aangezien er geen wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden, mochten zij erop vertrouwen dat ook over 2011 en 2012 regularisatie zou plaatsvinden.

3.1.4.

Ten slotte doen appellanten een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase.

Standpunt Svb

3.2.1.

De Svb erkent dat hij het verzoek van appellanten om een regularisatieovereenkomst te sluiten, had moeten doorzenden aan de Luxemburgse autoriteiten. De Svb verzoekt de schending van dit procedurevoorschrift te passeren onder toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens de Svb zijn appellanten door de handelwijze van de Svb niet benadeeld. De uitkomst op het verzoek om een artikel 16-overeenkomst te sluiten zou namelijk niet anders zijn, indien de Svb het verzoek wel direct had doorgezonden aan de Luxemburgse autoriteit. In beide gevallen zou het resultaat zijn dat het verzoek om met terugwerkende kracht een artikel 16-overeenkomst te sluiten voor 2011 en 2012 door de Svb zou zijn afgewezen.

3.2.2.

Inhoudelijk heeft de Svb zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank. Daarbij is verwezen naar de uitspraak van de Raad van 28 juli 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2634).

3.2.3.

Volgens de Svb gaat het rechtszekerheidsbeginsel niet zo ver dat het enkele feit dat de Svb over 2010 een regularisatieovereenkomst heeft gesloten betekent dat de Svb daartoe ook over volgende jaren is gehouden. Bovendien wist de Svb ten tijde van het sluiten van de overeenkomst over 2010 niet dat het schip waarop appellanten voeren, eigendom was van de onderneming waarvan appellant zelf directeur en enig aandeelhouder was. Van gelijke gevallen is daarom geen sprake.

3.2.4.

De Svb acht de redelijke termijn niet overschreden, omdat de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd.

Oordeel van de Raad

4. Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht in stand heeft gelaten de weigering van de Svb om, voor appellant over 2011 en 2012 en voor appellante over 2012, medewerking te verlenen aan een regularisatieovereenkomst. De Raad oordeelt als volgt.

Bevoegdheid

4.1.

De Raad verwerpt de primaire stelling van appellanten dat de rechtbank de bestreden besluiten reeds op grond van onbevoegdheid van de Svb had moeten vernietigen. De Raad onderkent dat op grond van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 987/2009 (Vo 987/2009) over het tijdvak vanaf 1 mei 2010 een verzoek tot het sluiten van een regularisatieovereenkomst bij de Luxemburgse autoriteiten moest worden ingediend. Dit wil echter niet zeggen dat de Luxemburgse autoriteiten bij uitsluiting bevoegd zijn om op het verzoek te beslissen. Aangezien het verzoek strekt tot het sluiten van een overeenkomst, moet ook de Nederlandse bevoegde autoriteit besluiten al dan niet medewerking aan het verzoek te verlenen. Dit besluit is op rechtsgevolg gericht. De Raad zal het bestreden besluit opvatten als een weigering om, ook indien het verzoek eerst door de Luxemburgse autoriteiten in behandeling wordt genomen, over 2011 en 2012 medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een regularisatieovereenkomst. Dit besluit kan en zal inhoudelijk worden getoetst.

Inhoudelijke beoordeling

Toepasselijke regelgeving

4.2.

In dit geding is de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing. In artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst is bepaald dat op Rijnvarenden niet, althans niet gelijktijdig, de socialezekerheidswetgeving van toepassing is van meer dan één Staat. Verder is op grond van de in dit artikel opgenomen aanwijsregels de socialezekerheidswetgeving van toepassing van de Staat waar volgens de Rijnvaartverklaring de exploitant van het schip waarop de Rijnvarende arbeid verricht, gevestigd is. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 kunnen de bevoegde autoriteiten van twee of meer lidstaten – al dan niet op verzoek – een overlegprocedure starten die erin kan uitmonden dat, ten behoeve van de betrokken Rijnvarenden, uitzonderingen worden vastgesteld op de in de Rijnvarendenovereenkomst opgenomen aanwijsregels.

Toetsing van beleid en vaste gedragslijn van de Svb

4.3.1.

In zijn onder 3.2.2 vermelde uitspraak van 28 juli 2017 heeft de Raad onder 3.1 de wijze waarop de Svb volgens zijn verklaring toepassing geeft aan artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag als volgt samengevat:


“De Svb maakt uitsluitend gebruik van de in artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag gegeven bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten over reeds verstreken verzekeringstijdvakken, indien vast staat dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de wetgeving van een bepaalde lidstaat. Dit betekent niet dat de Svb desgevraagd altijd een regularisatieprocedure start indien vaststaat dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de wetgeving van een bepaalde lidstaat. Dat gebeurt alleen indien blijkt van voldoende in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden. Wat in dit verband voldoende is, is niet alomvattend nader gedefinieerd. Het Rijnvarendenverdrag voorziet er niet in dat (werkgevers van) Rijnvarenden naar eigen believen kunnen bepalen in welke lidstaat zij premies afdragen voor de sociale zekerheid. De Svb wil de bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten niet gebruiken om, in feite, alsnog zo’n keuzevrijheid te creëren. Omdat de Svb, evenals de Belastingdienst, is geconfronteerd met een toenemend aantal al dan niet legale constructies dat is gericht op vermindering van afdracht van belastingen en premies in Nederland, en de Svb het gebruik daarvan niet in de hand wil werken, is vanaf 2013 in de beleidsregels van de Svb opgenomen dat de Svb geen regularisatie bevordert indien toepassing van de wetgeving van de bevoegde lidstaat achterwege is gebleven en de Svb vermoedt dat de premieafdracht in een andere lidstaat het resultaat is van het doelbewust creëren van een constructie en dit de betrokkene, voor wie de regularisatie is aangevraagd, redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn. Dit betekent niet dat de Svb desgevraagd altijd een regularisatieprocedure start indien voor betrokkene niet redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de premieafdracht in een andere lidstaat het resultaat is van het doelbewust creëren van een constructie, of als betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de afdracht van premies in de verkeerde lidstaat. Daartoe zal moeten blijken van meer in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden.”

4.3.2.

In dezelfde uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het niet onredelijk is dat de in artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag gegeven discretionaire bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten over reeds verstreken verzekeringstijdvakken, alleen wordt toegepast indien blijkt van voldoende in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden. Evenmin is het onredelijk dat niet alomvattend nader is gedefinieerd wat daar precies onder moet worden verstaan. De Raad oordeelt op gelijke wijze over de toepassing van artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 op personen die onder de Rijnvarendenovereenkomst vallen.

4.3.3.

In gedingen over de weigering om mee te werken aan een regularisatieovereenkomst over een tijdvak in het verleden, moet daarom worden beoordeeld of de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat over het tijdvak in geding niet is gebleken van in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden die ertoe hadden moeten leiden medewerking te verlenen aan het regularisatieverzoek.

4.3.4.

Blijkens zijn beoordeling van een aantal bij de Raad in geding zijnde regularisatieverzoeken hecht de Svb hierbij bijzondere betekenis aan de vraag vanaf welk moment de betrokkene op grond van besluiten of andere correspondentie van de Belastingdienst of de Svb, er meer dan voorheen rekening mee heeft moeten houden dat hij verzekerd zou worden geacht voor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Naar het oordeel van de Raad ligt het in de rede om bij de weging van de betekenis van deze correspondentie in ieder geval te betrekken de wijze waarop de correspondentie is gemotiveerd en de vraag wat betrokkene hieruit in zijn concrete situatie heeft kunnen opmaken. Daarbij kan het wel op de weg van een betrokkene liggen rechtshulp te zoeken als hij een besluit niet goed begrijpt. Ook kan van belang worden geacht of in het te beoordelen tijdvak sprake is van ongewijzigde omstandigheden ten opzichte van het tijdvak waarop de correspondentie betrekking heeft.

4.3.5.

Ter zitting heeft de Svb verder verklaard dat, naast deze beoordeling, tevens moet worden bezien of er sprake is van andere bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om wel of juist niet tot medewerking aan een verzoek tot regularisatie over te gaan. De gedingen die nu bij de Raad voorliggen, betreffen betrokkenen die een nettoloonafspraak hadden met hun werkgever. Voorstelbaar is, mede afhankelijk van de mate waarin aan de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt, dat in dergelijke gevallen mede bij de beoordeling wordt betrokken de vraag of er bij afwezigheid van een regularisatieovereenkomst uiteindelijk feitelijk sprake zou zijn van dubbele lasten.

4.3.6.

Dit alles wordt niet anders door de in een aantal regularisatiezaken geponeerde stelling dat op verzoek per definitie een regularisatieovereenkomst moet worden gesloten in alle gevallen waarin dit in het belang van betrokkenen zou zijn. Artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 verplicht hiertoe niet. Aanvaarding van de betreffende stelling zou ertoe leiden dat de in Vo 883/2004 opgenomen aanwijsregels hun nuttig effect geheel of gedeeltelijk verliezen.

Beoordeling van de situatie van appellanten

4.4.

Toetsende of de Svb zich in dit geval terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor appellant over de jaren 2011 en 2012 en voor appellante over het jaar 2012 niet is gebleken van in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden die hadden moeten leiden tot medewerking aan de door betrokkene ingediende regularisatieverzoeken, komt de Raad tot het volgende oordeel.

4.4.1.

De Raad verwerpt de stelling van appellanten dat de Svb tot regularisatie heeft moeten overgaan omdat geen sprake was van een doelbewuste constructie die appellanten duidelijk heeft moeten zijn. De rechtbank heeft terecht van belang geacht dat appellant in de betrokken periode directeur en enig aandeelhouder was van de onderneming die het schip waarop appellanten werkten, exploiteerde. In plaats van de uitbetaling van de lonen door zijn onderneming te laten plaatsvinden, heeft appellant er voor gekozen daarvoor een in Luxemburg gevestigde onderneming in te schakelen. Dat dit een ander doel had dan het vermijden van Nederlandse belasting- en premieheffing, is niet aannemelijk geworden. Appellante is niet alleen gehuwd met appellant, maar was ook werkzaam op hetzelfde schip en bekend met het feit dat appellant in de betrokken periode directeur en enig aandeelhouder was van de onderneming die het schip waarop zij werkten, exploiteerde. In die omstandigheden moet voor appellant en appellante op zijn minst redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat er sprake was van een constructie om premieheffing krachtens de Nederlandse socialezekerheidswetgeving te vermijden.

4.4.2.

Ook het beroep van appellanten op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt niet. De Raad onderschrijft de visie van de Svb dat de Rijnvarendenovereenkomst niet voorziet in een keuzerecht voor (werkgevers van) Rijnvarenden met betrekking tot de toepasselijke socialezekerheidswetgeving, en dat de bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten niet zou moeten worden gebruikt om, in feite, alsnog zo’n keuzevrijheid te creëren. Het rechtszekerheidsbeginsel dwingt de Svb er niet toe een eenmaal ontstaan oneigenlijk gebruik van de regularisatieprocedure steeds voort te zetten. Bovendien is over de jaren na 2010 geen enkele toezegging gedaan.

4.4.3.

Ter zitting heeft de Svb in algemene zin te kennen gegeven dat in de voorliggende dossiers ten onrechte niet actief is onderzocht en bezien of er in het geval van de individuele betrokkenen anderszins sprake is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan eventueel toch medewerking kan worden verleend aan een verzoek tot regularisatie. De Raad leidt uit het verhandelde ter zitting bij de rechtbank echter af dat de Svb actief nader onderzoek naar bijzondere omstandigheden niet nodig acht als de aanvrager zelf doelbewust een constructie heeft opgezet ter vermijding van premieplicht in Nederland. De Raad is van oordeel dat hiermee de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet worden overschreden.

4.4.4.

Uit 4.4.1 tot en met 4.4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Redelijke termijn.

5.1.

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, moet worden beoordeeld op grond van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van partijen gedurende de gehele rechtsgang.

5.2.

De redelijke termijn voor een procedure in drie instanties is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd.

5.3.

Als in hoger beroep wordt gevraagd om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, moet de vraag of de redelijke termijn is overschreden worden beoordeeld naar de stand van zaken ten tijde van de uitspraak op de hoger beroepen. Daarbij wordt de duur van de gehele procedure in ogenschouw genomen. Vergelijk in dit verband overweging 3.13.3 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

5.4.

Vanaf december 2015, toen de Svb de bezwaarschriften namens appellanten ontving, tot de datum van deze uitspraak is minder dan vier jaar verstreken. Dit betekent dat in deze uitspraak afwijzend moet worden beslist op het verzoek om schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

6. Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

7. Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en M.M. van der Kade en M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2018.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) H. Achtot

LO