Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3823

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2018
Datum publicatie
04-12-2018
Zaaknummer
17/4597 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om in afwijking van artikel 4 van zogenoemde Rijnvarendenovereenkomst de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving van toepassing te verklaren. Bevoegdheidsgebrek gepasseerd. Rijnvarendenverdrag van toepassing tot 1 mei 2010. Niet gelijktijdig de socialezekerheidswetgeving van toepassing van meer dan één Staat. Uitzonderingen op aanwijsregels mogelijk. De Raad heeft eerder geoordeeld dat het niet onredelijk is hoe Svb toepassing geeft aan artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag. Op gelijke wijze geoordeeld over personen die onder de Rijnvarendenovereenkomst vallen.Vanaf 1 mei 2010 is Rijnvarendenovereenkomst van toepassing. De primaire en subsidiaire stellingen van de Svb worden verworpen. De Raad onderschrijft de meer subsidiaire stelling van de Svb dat vanaf ontvangst van beslissing op bezwaar Belastingdienst van 4 april 2011 redelijkerwijs duidelijk heeft kunnen zijn Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Nader onderzoek Svb naar andere bijzondere omstandigheden. Voor de periode tot 5 april 2011 nader onderzoek naar bijzondere omstandigheden om van regularisatie af te zien. Veroordeling in proceskosten van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4597 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 31 mei 2017, 16/2842 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister), vertegenwoordigd door de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 22 november 2018

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2018, gevoegd met een aantal soortgelijke zaken. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg, mr. M.M.T. Wickenhagen en mr. A. Marijnissen. Voor betrokkene is mr. J.H. Weermeijer verschenen.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In de verschillende zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Verzoeken aan de Svb

1.1.

Bij brief van 19 februari 2013 heeft betrokkene de Svb verzocht om door middel van het afsluiten van een overeenkomst als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (Rijnvarendenverdrag) te bewerkstelligen dat de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving over het jaar 2010 op hem van toepassing is. Daarbij heeft betrokkene te kennen gegeven dat hij in 2010 heeft gewerkt voor ondernemingen naar Luxemburgs recht. Hij heeft twee loonstroken overgelegd waarop is vermeld dat deze ondernemingen premies hebben afgedragen voor de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving.

1.2.

Bij brieven van 17 februari 2014 en 15 april 2014 heeft betrokkene met een beroep op artikel 16 van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) een vergelijkbaar verzoek gedaan voor de jaren 2011 en 2012. Het verzoek strekt ertoe dat over deze jaren, in afwijking van artikel 4 van de tussen de EU-lidstaten België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland gesloten zogenoemde Rijnvarendenovereenkomst (Stcrt. nr. 3397 van

25 februari 2011, als gerectificeerd in Stcrt. nr. 3397 van 7 maart 2011), op betrokkene de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving van toepassing wordt verklaard.

Primair besluit

1.3.

Bij besluit van 21 augustus 2015 heeft de Svb de verzoeken afgewezen. Daarbij is te kennen gegeven dat de Belastingdienst met de aanslagregeling van 7 september 2009 aan betrokkene heeft laten weten dat op hem de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing was. Met ingang van deze datum kan volgens de Svb aan betrokkene worden verweten dat er geen premies in Nederland zijn afgedragen.

Beslissing op bezwaar

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 20 juni 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 21 augustus 2015 ongegrond verklaard. In het bestreden besluit is overwogen:

“U werkte in dienstbetrekking in de periode van 1 januari 2010 tot en met

30 april 2010 bij [SA 1] te Luxemburg en van 1 mei 2010 tot en met

31 december 2012 bij [SA 2] eveneens gevestigd te Luxemburg. U verrichtte in beide perioden uw werkzaamheden aan boord van het Rijnvaartschip [naam schip] . Dit schip werd geëxploiteerd door [VOF] gevestigd in Nederland ( [gemeente] ).

(…)

Met de brief van 7 september 2009 inzake de aangifte inkomstenbelasting, premie

volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2006 heeft de Belastingdienst u onder andere meegedeeld dat u over de periode 1 juni 2006 tot en met 31 december 2006, u werkte op een Rijnvaartschip waarvan u geen Rijnvaartverklaring kon overleggen, als verzekerd bent aangemerkt voor de Nederlandse volksverzekeringen. Over de periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2012 doet zich nu een vergelijkbaar feitencomplex voor zoals vermeld in de brief van 7 september 2009 van de Belastingdienst, met de aantekening dat de exploitant van het Rijnvaartschip [naam schip] , [VOF] , in Nederland gevestigd

is. Gelet op het voorstaande zijn wij van mening dat het u redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat u de onderhavige periode in Nederland verzekerings-/premieplichtig was.”

Uitspraak van de rechtbank

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de Svb binnen twaalf weken opnieuw op het bezwaar dient te beslissen, met bepalingen over proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat betrokkene uit de brief van 7 september 2009 van de inspecteur van de Belastingdienst redelijkerwijs niet heeft hoeven begrijpen dat hij voor het jaar 2006 zonder meer premieplichtig was in Nederland. Omdat die brief enkel een voornemen van de inspecteur van de Belastingdienst bevat om betrokkene over de periode 1 juni 2006 tot en met 31 december 2006 premieplichtig te achten voor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving, kon betrokkene niet reeds uit die brief begrijpen dat hij ook in de jaren 2010 tot 2013 premieplichtig was in Nederland. De Svb heeft ook niet op andere wijze dan door verwijzing naar de brief van 7 september 2009 aangetoond dat betrokkene wist of redelijkerwijs kon weten dat hij in Nederland premieplichtig was. Het bestreden besluit is volgens de rechtbank op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd.

Standpunt Svb in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep heeft de Svb primair het volgende aangevoerd (en daarbij nieuwe stukken overgelegd). Betrokkene werd in 2006, evenals in de jaren in geschil, verloond via [SA 2] te Luxemburg. Hij was toen werkzaam op een schip met een exploitant die in Nederland was gevestigd. Betrokkene heeft in het kader van het onderzoek over het belastingjaar 2006 niet op verzoek van de Belastingdienst de Rijnvaartverklaring van het schip verstrekt. Daarom, en omdat betrokkene vragen van de Belastingdienst niet beantwoordde, heeft de Belastingdienst niet kunnen beoordelen of betrokkene over 2006 terecht vrijstelling van premieplicht in Nederland had gevraagd. Daarom heeft de Belastingdienst betrokkene verzekerd geacht over de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 december 2006. Betrokkene heeft op 15 oktober 2009 een aanslag inkomstenbelasting over 2006 ontvangen. Volgens de Svb heeft het betrokkene na ontvangst van de brief van 7 september 2009, maar in ieder geval vanaf de ontvangst van de aanslag over 2006, redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij onderworpen was aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving en uit dien hoofde premieplichtig was.

3.2.

Subsidiair stelt de Svb zich op het standpunt dat betrokkene zijn premieplicht in Nederland bij gelijkblijvende omstandigheden kon begrijpen vanaf de ontvangst van de aanslag over 2007 van 6 februari 2010. Vanaf 28 juni 2007 deed zich namelijk exact het zelfde feitencomplex voor als in de jaren in geding: betrokkene werkte voor [SA 2] op het motorschip [naam schip] , dat werd geëxploiteerd door een in Nederland gevestigde exploitant.

3.3.

Meer subsidiair meent de Svb dat aan betrokkene in ieder geval vanaf de ontvangst van de beslissing op bezwaar van de Belastingdienst d.d. 4 april 2011 redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving onderworpen was. Deze beslissing op bezwaar was uitgebreid gemotiveerd en heeft betrekking op het jaar 2008. In dat jaar werkte betrokkene voor [SA 2] op het motorschip [naam schip] , dat werd geëxploiteerd door een in Nederland gevestigde exploitant.

3.4.

De Svb heeft ter zitting te kennen gegeven dat ten onrechte uitsluitend is beoordeeld of het betrokkene in de jaren in geding redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de Nederlandse (en niet de Luxemburgse) socialezekerheidswetgeving op hem van toepassing was. Ook had actief moeten worden onderzocht en beoordeeld of er in het geval van betrokkene anderszins sprake is van bijzondere omstandigheden die hadden moeten worden meegewogen bij de beoordeling van het verzoek van betrokkene om mee te werken aan een regularisatieovereenkomst over deze jaren.

Oordeel van de Raad

4. De Raad oordeelt als volgt.

Bevoegdheid

4.1.1.

De Raad beoordeelt ambtshalve of het bestreden besluit genomen is door de daartoe bevoegde autoriteit.

4.1.2.

Over het tijdvak tot 1 mei 2010 is de minister, ingevolge artikel 1, onderdeel e, van het Rijnvarendenverdrag, aan te merken als de voor Nederland bevoegde autoriteit. Het Besluit Internationale taken Sociale Verzekeringsbank voorziet niet in een regeling op grond waarvan zonder meer kan worden aangenomen dat de Svb het bestreden besluit (mede) krachtens een geldig mandaat heeft genomen voor de minister. Omdat de minister het bestreden besluit bij brief van 5 februari 2016 heeft bekrachtigd en betrokkene hierdoor niet wordt benadeeld, zal het bevoegdheidsgebrek dat is verbonden aan het bestreden besluit met toepassing van

artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals die bepaling sinds

1 januari 2013 luidt, worden gepasseerd. Daarbij is in aanmerking genomen dat belanghebbenden hierdoor niet worden benadeeld.

4.1.3.

Over de periode vanaf 1 mei 2010 is de Svb aan te merken als de voor Nederland bevoegde autoriteit. In dit verband wordt verwezen naar artikel 1, onderdeel p en q, van

Vo 883/2004 en het Besluit Internationale taken Sociale Verzekeringsbank.

Inhoudelijke beoordeling

Toepasselijke regelgeving

4.2.1.

In dit geding is over het tijdvak tot 1 mei 2010 op grond van artikel 7, tweede lid,

onder a, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) het Rijnvarendenverdrag van toepassing. In dit artikellid is bepaald dat ongeacht het bepaalde in artikel 6 van Vo 1408/71 het Rijnvarendenverdrag van toepassing blijft en dit artikellid is ingevolge artikel 87, eerste lid, van Vo 883/2004 van toepassing gebleven op tijdvakken gelegen vóór 1 mei 2010. Ingevolge artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag is op Rijnvarenden niet, althans niet gelijktijdig, de socialezekerheidswetgeving van toepassing van meer dan één Staat. Verder is op grond van de in dit artikel opgenomen aanwijsregels de socialezekerheidswetgeving van toepassing van de Staat waar volgens de Rijnvaartverklaring de exploitant van het schip, waarop de Rijnvarende arbeid verricht, gevestigd is.

4.2.2.

Voor het tijdvak vanaf 1 mei 2010 is in dit geding de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing. In artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst is een zelfde regeling opgenomen als in artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag. Voor uitzonderingen op de toepassing van dit artikel voorziet artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 in een zelfde soort regeling als

artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag. In Vo 883/2004 is niet een voorrangsregel voor het Rijnvarendenverdrag opgenomen.

4.3.1.

Ingevolge artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag en artikel 16, eerste lid, van

Vo 883/2004 kunnen de bevoegde autoriteiten van twee of meer Verdragsluitende Partijen

– al dan niet op verzoek – een overlegprocedure starten die erin kan uitmonden dat, ten behoeve van de betrokken Rijnvarenden, uitzonderingen worden vastgesteld op de in het Rijnvarendenverdrag opgenomen aanwijsregels.

Toetsing van beleid en vaste gedragslijn van de Svb

4.3.2.

In zijn uitspraak van 28 juli 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2634) heeft de Raad

onder 3.1 de wijze waarop de Svb volgens zijn verklaring toepassing geeft aan artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag als volgt samengevat:


“De Svb maakt uitsluitend gebruik van de in artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag gegeven bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten over reeds verstreken verzekeringstijdvakken, indien vast staat dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de wetgeving van een bepaalde lidstaat. Dit betekent niet dat de Svb desgevraagd altijd een regularisatieprocedure start indien vaststaat dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de wetgeving van een bepaalde lidstaat. Dat gebeurt alleen indien blijkt van voldoende in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden. Wat in dit verband voldoende is, is niet alomvattend nader gedefinieerd. Het Rijnvarendenverdrag voorziet er niet in dat (werkgevers van) Rijnvarenden naar eigen believen kunnen bepalen in welke lidstaat zij premies afdragen voor de sociale zekerheid. De Svb wil de bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten niet gebruiken om, in feite, alsnog zo’n keuzevrijheid te creëren. Omdat de Svb, evenals de Belastingdienst, is geconfronteerd met een toenemend aantal al dan niet legale constructies dat is gericht op vermindering van afdracht van belastingen en premies in Nederland, en de Svb het gebruik daarvan niet in de hand wil werken, is vanaf 2013 in de beleidsregels van de Svb opgenomen dat de Svb geen regularisatie bevordert indien toepassing van de wetgeving van de bevoegde lidstaat achterwege is gebleven en de Svb vermoedt dat de premieafdracht in een andere lidstaat het resultaat is van het doelbewust creëren van een constructie en dit de betrokkene, voor wie de regularisatie is aangevraagd, redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn. Dit betekent niet dat de Svb desgevraagd altijd een regularisatieprocedure start indien voor betrokkene niet redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de premieafdracht in een andere lidstaat het resultaat is van het doelbewust creëren van een constructie, of als betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de afdracht van premies in de verkeerde lidstaat. Daartoe zal moeten blijken van meer in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden.”

4.3.3.

In zijn onder 4.3.2 aangehaalde uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het niet onredelijk is dat de in artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag gegeven discretionaire bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten over reeds verstreken verzekeringstijdvakken, alleen wordt toegepast indien blijkt van voldoende in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden. Evenmin is het onredelijk dat niet alomvattend nader is gedefinieerd wat daar precies onder moet worden verstaan. De Raad ziet geen grond om daar in dit geding anders over te oordelen en oordeelt op gelijke wijze over de toepassing van artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 op personen die onder de Rijnvarendenovereenkomst vallen.

4.3.4.

In gedingen over de weigering om mee te werken aan een regularisatieovereenkomst over een tijdvak in het verleden moet daarom worden beoordeeld of de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat over het tijdvak in geding niet is gebleken van in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden die ertoe hadden moeten leiden medewerking te verlenen aan het regularisatieverzoek.

4.3.5.

Blijkens zijn beoordeling van een aantal bij de Raad in geding zijnde regularisatieverzoeken hecht de Svb hierbij bijzondere betekenis aan de vraag vanaf welk moment de betrokkene op grond van besluiten of andere correspondentie van de Belastingdienst of de Svb, er meer dan voorheen rekening mee heeft moeten houden dat hij verzekerd zou worden geacht voor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Naar het oordeel van de Raad ligt het in de rede om bij de weging van de betekenis van deze correspondentie in ieder geval te betrekken de wijze waarop de correspondentie is gemotiveerd en de vraag wat betrokkene hieruit in zijn concrete situatie heeft kunnen opmaken. Daarbij kan het wel op de weg van een betrokkene liggen rechtshulp te zoeken als hij een besluit niet goed begrijpt. Ook kan van belang worden geacht of in het te beoordelen tijdvak sprake is van ongewijzigde omstandigheden ten opzichte van het tijdvak waarop de correspondentie betrekking heeft.

4.3.6.

Ter zitting heeft de Svb verder verklaard dat, naast deze beoordeling, tevens moet worden bezien of er sprake is van andere bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om wel of juist niet tot medewerking aan een verzoek tot regularisatie over te gaan. De gedingen die nu bij de Raad voorliggen betreffen betrokkenen die een nettoloonafspraak hadden met hun werkgever. Voorstelbaar is, mede afhankelijk van de mate waarin aan de betrokkene verwijt kan worden gemaakt, dat in dergelijke gevallen mede bij de beoordeling wordt betrokken de vraag of er bij afwezigheid van een regularisatieovereenkomst uiteindelijk feitelijk sprake zou zijn van dubbele lasten.

4.3.7.

Dit alles wordt niet anders door de in een aantal regularisatiezaken geponeerde stelling dat op verzoek per definitie een regularisatieovereenkomst moet worden gesloten in alle gevallen waarin dit in het belang van betrokkenen zou zijn. Artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag en artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 verplichten hiertoe niet. Aanvaarding van de betreffende stelling zou ertoe leiden dat de in het Rijnvarendenverdrag en in Vo 883/2004 opgenomen aanwijsregels hun nuttig effect geheel of gedeeltelijk verliezen.

Beoordeling van de situatie van betrokkene

4.4.

Toetsende of de Svb zich in dit geval terecht op het standpunt heeft gesteld dat over de jaren 2010, 2011 en 2012 niet is gebleken van in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden die hadden moeten leiden tot medewerking aan de door betrokkene ingediende regularisatieverzoeken, komt de Raad tot het volgende oordeel.

4.4.1.

De Raad verwerpt de primaire stelling van de Svb dat betrokkene reeds op grond van de brief van de Belastingdienst van 7 september 2009 meer dan voorheen rekening heeft moeten houden met de mogelijkheid dat hij in het vervolg onderworpen zou worden geacht aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. In deze brief wordt betrokkene geconfronteerd met de gevolgen van het niet verstrekken van informatie en het niet overleggen van een Rijnvaartverklaring. De Belastingdienst laat zich in deze brief niet in algemene zin uit over de criteria aan de hand waarvan wordt beoordeeld aan welke wetgeving een Rijnvarende is onderworpen. Verder voer betrokkene in 2006 op andere schepen, die werden geëxploiteerd door andere exploitanten, dan in de jaren in geding.

4.4.2.

De Raad verwerpt ook de subsidiaire stelling van de Svb. Uit de stukken blijkt dat betrokkene op 6 februari 2010 een definitieve aanslag over 2007 heeft ontvangen. Er blijkt niet van correspondentie tussen de Belastingdienst en betrokkene tussen 7 september 2009 en 6 februari 2010. Betrokkene heeft tot en met 27 juni 2007 nog voor dezelfde werkgever op hetzelfde schip gevaren als eind 2006. Onder deze omstandigheden heeft betrokkene ook vanaf 6 februari 2010 niet meer dan voorheen rekening hoeven houden met verzekeringsplicht op grond van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving.

4.4.3.

De Raad onderschrijft de meer subsidiaire stelling van de Svb. Vanaf de ontvangst van de beslissing op bezwaar van de Belastingdienst van 4 april 2011 heeft het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving onderworpen was. Deze beslissing op bezwaar heeft betrekking op het jaar 2008. In dat jaar werkte betrokkene, evenals in de jaren in geding, voor [SA 2] op het motorschip [naam schip] , dat werd geëxploiteerd door een in Nederland gevestigde exploitant. Verder is in de beslissing van 4 april 2011 duidelijk aan betrokkene uitgelegd hoe de toepasselijke wetgeving werd vastgesteld.

4.4.4.

De Raad verwerpt dus de stelling van de Svb dat betrokkene in het tijdvak

1 januari 2010 tot en met 4 april 2011 heeft kunnen begrijpen dat hij aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving was onderworpen. Nu uit de bij de Raad voorliggende dossiers blijkt dat de Svb in het algemeen tot het omslagpunt waarop een dergelijk begrip heeft kunnen ontstaan, medewerking verleent aan een verzoek tot regularisatie, ligt het in de rede dat de minister, respectievelijk de Svb, alsnog de Luxemburgse autoriteit benadert met het verzoek medewerking te verlenen aan een regularisatieovereenkomst over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 4 april 2011. Dit kan echter anders worden als de minister en de Svb aannemelijk maken dat er in dit geval ook tot 5 april 2011 bijzondere omstandigheden waren om van regularisatie af te zien.

4.4.5.

Vanaf 5 april 2011 heeft betrokkene naar het oordeel van de Raad er meer dan voorheen rekening mee moeten houden dat hij onderworpen was aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Echter, het in 3.4 omschreven nadere onderzoek naar andere bijzondere omstandigheden is niet uitgevoerd. De Svb zal dit dus nog moeten onderzoeken.

4.4.6.

Uit 4.4.1 tot en met 4.4.5 volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht, zij het deels op andere gronden, heeft vernietigd. Verder heeft de rechtbank terecht niet zelf in de zaak voorzien, maar opdracht gegeven tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar. Gelet op de aard van de zaak (de toepassing van een verdragsrechtelijke dan wel Unierechtelijke ruime discretionaire bevoegdheid door een aangewezen bevoegde autoriteit) en omdat nog nader onderzoek moet worden verricht, bestaat er geen ruimte om zelf in de zaak te voorzien. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd met verbetering van de gronden. De minister en de Svb dienen ieder een nieuw besluit op bezwaar te nemen dat wel toereikend is voorbereid en gemotiveerd. Met het oog op een zo voortvarend mogelijke definitieve afdoening van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de te nemen nieuwe besluiten op bezwaar alleen bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Conclusie

5. Dit betekent dat de minister over het tijdvak 1 januari 2010 tot 1 mei 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen, en de Svb over het tijdvak 1 mei 2010 tot en met 31 december 2012. Tot 5 april 2011 moeten de minister en de Svb medewerking verlenen aan het verzoek tot regularisatie, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn om dat niet te doen. De Svb moet nog onderzoeken of er vanaf 5 april 2011 bijzondere omstandigheden zijn om mee te werken aan regularisatie. Als die er niet zijn, hoeft de Svb vanaf die datum niet meer mee te werken.

6. Nu de Svb het bestreden besluit heeft genomen, is er aanleiding uitsluitend de Svb (en niet voor een gedeelte de minister) te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. De proceskosten worden begroot op € 375,75 in hoger beroep. Voor de wijze waarop dit bedrag is samengesteld, wordt verwezen naar de uitspraak van heden in de zaak 16/5840. Over de vergoeding van kosten die betrokkene heeft gemaakt en mogelijk nog zal maken in verband met de behandeling van het bezwaar moet worden beslist in de te nemen nieuwe beslissingen op bezwaar.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat binnen twaalf weken nieuwe beslissingen op bezwaar worden genomen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    bepaalt dat beroep tegen de door de minister en de Svb te nemen nieuwe beslissingen op bezwaar alleen bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt de Svb in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 375,75.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en M.M. van der Kade en M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2018.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) H. Achtot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

LO