Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3816

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
16/6277 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:7349, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van het besluit van 14 mei 2012. Terecht oordeel rechtbank dat geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld. Besluit niet evident onredelijk. Geen sprake van deugdelijke en toereikende onderbouwing van de aanvraag. Geen grond voor inschakelen deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6277 WAO

Datum uitspraak: 14 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

30 september 2016, 15/7278 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2018. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 12 februari 2001 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als kok. Bij besluit van 3 april 2002 is de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) afgewezen omdat hij met ingang van

11 februari 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

1.2.

In mei 2012 heeft appellant een verslechtering van zijn gezondheid gemeld per 8 maart 2004. Het Uwv heeft daarop bij besluit van 14 mei 2012 vastgesteld dat per 5 april 2012 (bedoeld is 5 april 2004) geen recht is ontstaan op een WAO-uitkering, omdat er vanaf

8 maart 2004 geen sprake is geweest van vier weken onafgebroken toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na een eerdere schatting (Amber-beoordeling). Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Appellant heeft bij brief van 8 mei 2015 het Uwv verzocht om het besluit van 14 mei 2012 te herzien wegens nieuwe feiten en omstandigheden en hem alsnog met ingang van

8 maart 2004 een WAO-uitkering toe te kennen. Ter onderbouwing heeft appellant diverse medische stukken ingediend, waaronder een brief van 30 maart 2001, 15 augustus 2001 en

12 december 2001 van psycholoog M. Bruynzeel van GGZ en een brief van 25 juli 2012 van psychiater F. Almus en GZ-psycholoog W. Bredewout. Ook heeft appellant een rapport van Instituut Psychosofia van 5 mei 2015 ingediend. Het Uwv heeft, na verzekeringsgeneeskundig onderzoek, bij besluit van 23 juni 2015 beslist om niet terug te komen van het besluit van

14 mei 2012, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. In bezwaar heeft appellant tevens verzocht om beoordeling van zijn aanspraken voor de toekomst.

1.4.

Het Uwv heeft het bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2015 ongegrond verklaard bij besluit van 12 november 2015 (bestreden besluit). Hiertoe heeft het Uwv overwogen dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd. Niet is gebleken dat er sprake is van een duuraanspraak.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1).

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden geen aanleiding geven tot herziening van het besluit van 14 mei 2012. Uit de informatie van psycholoog Bruynzeel van GGZ uit 2001 blijkt dat ten tijde van de beoordeling in 2002 psychische klachten speelden, zodat ook de psychische klachten verzekerd zijn. Verder heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat uit de brief van 25 juli 2012 van psychiater Almus en GZ-psycholoog Bredewout blijkt dat sprake is van psychische klachten die zijn terug te voeren tot zijn jeugd, dus ook ten tijde van het afwijzende besluit van 3 april 2002 en op 8 maart 2004, de datum per wanneer hij een verslechtering van zijn gezondheid heeft gemeld, aanwezig waren. Dit is niet (voldoende) meegewogen door het Uwv. Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de informatie van Instituut Psychosofia geen medisch rapport betreft. Tot slot heeft appellant de Raad verzocht om een medisch deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De aanvraag van appellant van 8 mei 2015 is een verzoek om terug te komen van het besluit van 14 mei 2012 als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In zijn uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad in navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 23 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3131) zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

4.2.

De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden geoordeeld dat appellant bij zijn aanvraag van 8 mei 2015 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Daaraan doet niet af dat de informatie van psycholoog Bruynzeel van GGZ uit 2001 niet eerder is overgelegd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Niet is gebleken dat appellant de informatie van GGZ die dateert uit 2001 niet eerder had kunnen overleggen. Verder kan de in 2012 gestelde diagnose ADD, zoals vermeld in de brief van 25 juli 2012 van psychiater Almus en GZ-psycholoog Bruynzeel, niet als nieuw feit in de zin van laatstgenoemd artikel worden beschouwd, omdat een diagnose niet doorslaggevend is voor het klachten- of beperkingenpatroon. Uit die brief blijkt niet van informatie die een ander licht werpt op de klachten en beperkingen ten tijde van belang. In wat appellant heeft aangevoerd is daarnaast geen grond gelegen om te oordelen dat het handhaven van het besluit van 14 mei 2012 evident onredelijk is.

4.3.

Voor zover de aanvraag van appellant ook inhoudt dat voor de toekomst wordt teruggekomen van het besluit van 14 mei 2012 is van belang dat uitsluitend indien de aanvrager zijn aanvraag deugdelijk en toereikend heeft onderbouwd, het Uwv moet onderzoeken of en in hoeverre het oorspronkelijke besluit onjuist was. Het oordeel van de rechtbank dat van een deugdelijke en toereikende onderbouwing in dit geval geen sprake is wordt onderschreven. Voor het inschakelen van een deskundige is dan ook geen grond.

4.4.

Tot slot onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de namens appellant overgelegde informatie van Instituut Psychosofia, onder verwijzing naar de uitspraak van 9 mei 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1410). Aan de informatie van Psychosofia kan niet de waarde worden gehecht die appellant daaraan toegekend wenst te zien, nu arbeidsbeperkingen (ook) op de in de reguliere geneeskunde gebruikelijke wijze moeten kunnen worden vastgesteld. De informatie kan wel relevante argumenten bevatten ter onderbouwing van het standpunt van appellant. Van belang is dan ook dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de rapporten van Instituut Psychosofia die appellant heeft ingediend heeft meegewogen zoals blijkt uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

8 oktober 2015 en 7 juli 2016.

4.5.

Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet.

5. Voor een veroordeling van het Uwv tot vergoeding van door appellant geleden schade is geen grond.

6. Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant is evenmin

aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) L. Boersma

JvC