Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3804

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
03-12-2018
Zaaknummer
17-3042 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Geen duidelijkheid over de financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3042 PW

Datum uitspraak: 20 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 maart 2017, 16/895 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Huisman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. H. de Vos.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder. Nadat op

[datum in] 2015 uit de relatie van appellanten een kind was geboren, heeft appellant zich met ingang van 28 juli 2015 in de basisregistratie personen op het adres van appellante ingeschreven. Daarop heeft het college de bijstand van appellante beëindigd. Appellanten hebben zich op 21 augustus 2015 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden. Op 31 augustus 2015 hebben zij de aanvraag ingediend.

1.2.

Appellant heeft in het kader van zijn aanvraag onder andere verklaard dat hij sinds anderhalve maand terug is in Nederland en dat hij in het jaar voorafgaand aan de aanvraag geen vast verblijfadres in Nederland had en af en toe bij zijn ouders in Turkije heeft verbleven. Op de vraag op welke wijze hij de reizen naar Turkije heeft betaald en in zijn levensonderhoud heeft voorzien, heeft appellant geantwoord dat hij van giften/leningen van familie en vrienden heeft geleefd.

1.3.

Bij brief van 31 augustus 2015 heeft het college - voor zover hier van belang - appellant verzocht om aan tonen op welke wijze hij vanaf 1 januari 2015 heeft voorzien in de kosten van levensonderhoud en verzocht om een overzicht met bewijsstukken te verstrekken van de personen van wie hij geld heeft geleend of gekregen om in zijn onderhoud te kunnen voorzien.

1.4.

Bij besluit van 11 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 februari 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten niet aan de hand van objectieve en verifieerbare stukken hebben aangetoond op welke wijze appellant in de periode voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.5.

Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag om bijstand van appellanten heeft het college hen met ingang van 2 maart 2016 bijstand toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten voeren aan dat zij alles hebben gedaan wat in hun mogelijkheden ligt om aan te tonen dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden. Appellant had geen inkomen of vermogen en zij werden af en toe door familieleden financieel ondersteund. Zij hebben hun bankafschriften en verklaringen van familieleden met betrekking tot leningen en giften overgelegd. Er waren ook geen aanwijzingen dat appellant andere inkomsten had. Dit blijkt ook uit het feit dat hij zijn schulden niet heeft afgelost. Voor de reizen naar Turkije in 2015 heeft hij geen reiskosten gemaakt, omdat hij met zijn broer of neef kon meerijden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 21 augustus 2015 tot en met 11 september 2015.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige opening van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Het bijstandverlenend orgaan is in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.

4.4.

Gelet op wat appellanten hebben aangevoerd, is tussen partijen in geschil of appellanten aannemelijk hebben gemaakt op welke wijze appellant in de periode voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Met de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend. Daartoe is het volgende redengevend.

4.4.1.

Appellanten hebben een verklaring van de vader van appellant [naam A] ( [A] ) van 17 april (lees:) 2016 overgelegd, waarin staat dat [A] op of kort voor 12 maart 2015 € 120,- en op of kort voor 6 oktober 2015 € 200,- aan appellant heeft geschonken en dat appellant in 2015 verschillende nader genoemde perioden in zijn woning in Turkije heeft verbleven. Vanaf januari 2016 heeft [A] regelmatig luiers en babyvoeding gekocht ten behoeve van de dochter van appellant. In een verklaring van een broer van appellant [naam B] ( [B] ) van dezelfde datum staat dat [B] op of kort voor 7 september 2015 € 320,- aan appellant heeft geschonken. Verder hebben appellanten een verklaring van dezelfde datum van [naam C] ( [C] ) overgelegd, waarin staat dat [C] op 9 november 2015 € 500,- aan appellant heeft geleend, en ook een verklaring van die datum van [naam D] ( [D] ), waarin staat dat [D] op of kort voor 23 november 2015 € 200,- aan appellant heeft geschonken en dat appellant begin maart 2015 met de auto is mee gereisd naar Turkije. [naam E] heeft op 7 september 2015 schriftelijk verklaard dat hij in de periode van 2009 tot eind 2014 appellant regelmatig financieel en materieel heeft ondersteund en dat hij ervan op de hoogte is dat ook zijn ouders appellant dergelijke hulp hebben verleend, en [naam F] ( [F] ) heeft verklaard dat hij in februari 2015 en in april en mei 2015 bedragen van in totaal € 450,- heeft geleend aan appellante.

4.4.2.

De in 4.4.1 genoemde verklaringen hebben deels betrekking op tijdstippen gelegen na de beslissing op de aanvraag, zodat daarop in zoverre niet zal worden ingegaan. Voor zover zij betrekking hebben op de periode voorafgaand aan de aanvraag worden de verklaringen, behalve de verklaring van [F] over door hem aan appellante geleende bedragen, niet ondersteund met objectieve en verifieerbare bescheiden, zoals bijvoorbeeld bankgegevens van de betrokkenen. Reeds om die reden komt aan deze verklaringen niet die betekenis toe die appellanten daaraan gehecht willen zien. De verwijzing van appellanten naar de bankafschriften van appellant waarop kasstortingen op 12 maart 2015 en 7 september 2015 van € 120,- en € 320,- staan vermeld baat appellanten niet, reeds omdat appellanten met deze kasstortingen onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt waar appellant van heeft geleefd in de periode voorafgaand aan de aanvraag. Dat geldt ook voor de overschrijvingen van [F] naar de bankrekening van appellante. Appellant heeft voorts zijn verklaring dat hij in 2015 geen reiskosten naar Turkije had, omdat hij met zijn broer of neef meereed, niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Of de stortingen op 4 mei 2015 op de bankrekening van appellant van in totaal € 700,- voldoende zijn verklaard met de opnamen op 2 mei 2015 van de bankrekening van appellante van in totaal € 700,- en de daarvoor gegeven verklaring dat dit bedrag bestemd was voor de betaling van de huur, die op dezelfde datum van de rekening van appellant is betaald, kan in het midden blijven. Ook als dat zo is, hebben appellanten met de ingebrachte verklaringen niet voldoende inzicht gegeven in de wijze waarop appellant in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

4.5.

Nu appellanten niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk hebben gemaakt op welke wijze appellant in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand in zijn levensonderhoud heeft voorzien en dus geen duidelijkheid hebben gegeven over hun financiële situatie in die periode, hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. De bewijsnood waarop appellanten zich beroepen komt, gezien de onder 4.2 weergegeven bewijslastverdeling, voor rekening en risico van appellanten. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting kan niet worden vastgesteld of appellanten in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2018.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) C.A.E. Bon

md