Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3802

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
03-12-2018
Zaaknummer
17-1108 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete. Niet melden van de zwangerschapsuitkering; normale verwijtbaarheid . Niet melden inkomsten uit onderneming. Geen recidive; boete is niet onherroepelijk komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1108 PW-PV, 17/3497 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2016, 15/3027, en 21 maart 2017, 15/7020, (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (college)

Datum uitspraak: 20 november 2018

Zitting hebben: A.B.J. van der Ham, Y.J. Klik en G.M.G. Hink

Griffier: C.A.E. Bon

Ter zitting zijn verschenen: appellante, bijgestaan door mr. J.J. Brosius, advocaat, en

mr. H. Chikar, gemachtigde van het college.

BESLISSING

Zaak 17/1108 PW

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 30 maart 2015 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover de hoogte van de boete is vastgesteld op € 3.310,25;

  • -

    herroept het besluit van 24 november 2014 voor zover;

  • -

    stelt het bedrag van de boete vast op € 2.206,78 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 30 maart 2015;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.022,20;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

Appellante heeft de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de door haar ontvangen uitkering op grond van de Wet zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen (ZEZ-uitkering). Het beroep op de ministeriële regeling als bedoeld in

artikel 17, eerste lid, tweede volzin, van de Wet werk en bijstand (WWB), die een uitzondering op de inlichtingenverplichting regelt, slaagt niet omdat deze ministeriële regeling ten tijde in geding nog niet in werking was getreden.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een brief aan de heer De Jong, medewerker van de gemeente, heeft gezonden met de melding dat zij een ZEZ-uitkering ontving. De melding waarnaar appellante verwijst heeft het college niet bereikt. De bewijslast rust hierbij op appellante en daaraan is niet voldaan.

Appellante heeft een beroep gedaan op verminderde verwijtbaarheid omdat sprake zou zijn van gedeelde verwijtbaarheid tussen appellante en het college, nu het college volgens haar in staat zou zijn Suwinet te raadplegen en aldus te zien dat appellante een uitkering ontving. Dit beroep slaagt niet, reeds omdat de ministeriële regeling waarop appellante in dit kader een beroep doet ten tijde in geding nog niet in werking was getreden.

Gelet op de schending van de inlichtingenverplichting, waarvan appellante een verwijt kan worden gemaakt, was het college in beginsel gehouden een boete op te leggen. Voor wat betreft de mate waarin appellante de gedraging kan worden verweten heeft het college niet aangetoond dat sprake is van grove schuld. Dat betekent dat, uitgaande van normale verwijtbaarheid, de hoogte van de boete wordt vastgesteld op 50% van € 4.413,56, dat is

€ 2.206,78. Het beroep op draagkracht slaagt niet, omdat appellante te laat en te weinig gegevens naar voren heeft gebracht waardoor de Raad geen toereikend inzicht heeft gekregen in haar financiële situatie.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op in totaal € 2.004,- voor verleende rechtsbijstand en € 18,20 aan reiskosten.

Zaak 17/3497 PW

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 24 september 2015 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover de hoogte van de boete is gehandhaafd op € 556,87;

  • -

    herroept het besluit van 1 juni 2015 voor zover;

  • -

    stelt het bedrag van de boete vast op € 247,50 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 24 september 2015;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.505,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 169,- vergoedt.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

Niet in geschil is dat appellante inkomsten heeft gehad uit haar onderneming van € 495,09 en deze inkomsten niet aan het college heeft gemeld. Het geschil beperkt zich in hoofdzaak tot de vraag of op deze inkomsten verwervingskosten in mindering moeten worden gebracht. Volgens vaste rechtspraak is in het kader van de bijstand bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten. Omdat appellante aanspraak maakt op bijstand op grond van de WWB, geldt dat ook voor de kosten uit de onderneming. Ter zitting heeft de Raad in dit verband verwezen naar zijn uitspraak van 13 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:447. Het college heeft appellante desondanks in de gelegenheid gesteld om de verwervingskosten aannemelijk te maken. Appellante heeft deze verwervingskosten echter niet aannemelijk gemaakt, omdat zij haar kosten niet heeft onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens.

Gelet op de schending van de inlichtingenverplichting, waarvan appellante een verwijt kan worden gemaakt, was het college in beginsel gehouden een boete op te leggen. Voor wat betreft de mate waarin appellante de gedraging kan worden verweten heeft het college ook in deze zaak niet aangetoond dat sprake is van grove schuld. Het college heeft voorts de recidivebepaling ten onrechte toegepast, omdat nog geen sprake was van een eerdere onherroepelijk geworden boete. Dat betekent dat, uitgaande van normale verwijtbaarheid, de hoogte van de boete wordt vastgesteld op 50% van € 495,-, dat is € 247,50.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op in totaal € 2.505,- voor verleende rechtsbijstand.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) C.A.E. Bon (getekend) A.B.J. van der Ham

IJ