Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3794

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
17-7277 WUBO-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toekenningen op grond van de Wubo. Verklaringen laten niet zien dat appellante persoonlijk direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7277 WUBO-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 15 november 2018

Zitting heeft: C.H. Bangma

Griffier: C.A.E. Bon

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P. Lesquillier, advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2018. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Verweerder heeft een aanvraag van appellante op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) afgewezen bij besluit van 18 november 1999 op de grond dat niet is komen vast te staan dat appellante betrokken is geweest bij ongeregeldheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub f, van de Wubo. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

In december 2016 heeft appellante opnieuw verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 28 april 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 oktober 2017 op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wubo.

Anders dan wat appellante nu stelt, komt uit het sociaal rapport van haar eerste aanvraag in 1999 duidelijk naar voren dat tijdens het verblijf in het 10e Bataljon geen direct levensgevaar bestond en dat beschietingen in haar directe omgeving niet hebben plaatsgevonden. Er is onvoldoende aanleiding om die verklaring niet te volgen. Verder is die verklaring voor de Raad mede aanleiding geweest om in een Wubo-procedure van de broer van appellante de conclusie van verweerder te onderschrijven dat niet is gebleken dat hij in het 10e Bataljon betrokken is geweest bij oorlogsgeweld. Dit betreft de uitspraak van 8 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4648. In bezwaar zijn nog (aanvullende) verklaringen overgelegd, maar die verklaringen laten niet zien dat appellante persoonlijk direct betrokken is geweest bij beschietingen. Voor het aanvaarden van een dergelijke betrokkenheid is onder meer van belang of appellante zelf gewond is geraakt of rechtstreeks geconfronteerd is geweest met verwondingen of het omkomen van naasten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

25 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:244). De verklaringen geven evenmin aanleiding te aanvaarden dat appellante geconfronteerd is geweest met extreem geweld, te weten het doodschieten van een pemoeda. Alleen de broer noemt die gebeurtenis, maar in het licht van de bekende gegevens en de hiervoor genoemde uitspraak van 25 januari 2018, kan die verklaring niet leiden tot het aanvaarden van de gebeurtenis.

Dat appellante in het kader van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) wel is aanvaard, kan hier niet tot een ander oordeel leiden, aangezien de AOR ruimere criteria kent voor het aanvaarden van oorlogsgebeurtenissen dan de Wubo.

Het bestreden besluit houdt in rechte stand.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) C.A.E. Bon (getekend) C.H. Bangma

sg