Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3793

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
17-372 BPW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan gezegd moet worden dat verweerder gehouden was om van het beroep op verjaring af te zien. Verweerder heeft het verzoek van appellanten dus terecht met een beroep op verjaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 372 BPW

Datum uitspraak: 22 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

de erven en/of rechtverkrijgenden van [betrokkene] , laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A. Bierenbroodspot, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 november 2016, kenmerk BZ01102129 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2018. Namens appellanten zijn verschenen mr. Bierenbroodspot en [B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs.

OVERWEGINGEN

1.1.

[betrokkene] (betrokkene), geboren [in 1] 1994 en overleden [in 2] 2011, is bij besluit van 22 november 2007 met toepassing van artikel 3 van het krachtens artikel 1, tweede lid, van de Wbp gegeven Koninklijk Besluit van 8 juli 1978, Stb. 1978, 422, gelijkgesteld met een van de categorieën van personen op wie de Wbp van toepassing is. Bij nader besluit van 21 augustus 2008 is aan betrokkene met ingang van 1 september 2005 een buitengewoon pensioen toegekend naar een mate van invaliditeit van 100%. Uit de gedingstukken komt naar voren dat in september 2008 uitvoering is gegeven aan het besluit van 21 augustus 2008 en dat vanaf 2005 de (voorlopige) uitbetaling heeft plaatsgevonden. In juli 2009 is over de jaren 2005 tot en met 2008 het buitengewoon pensioen van betrokkene (definitief) vastgesteld met een nabetaling tot gevolg.

1.2.

Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 24 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7917, heeft verweerder bij nader besluit van 27 januari 2012 de pensioengrondslag alsnog vastgesteld naar het inkomen van een leraar Nederlands. Dit op basis van een dienstverband van 0,76 fte. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van de Raad van 29 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1601, ongegrond verklaard.

1.3.

Bij betalingsbeschikking van maart 2012 heeft verweerder uitvoering gegeven aan het onder 1.2 genoemde besluit van 12 januari 2012 en met terugwerkende kracht tot 1 september 2005 de pensioengrondslag verhoogd en is over de periode van 1 september 2005 tot november 2011 een nabetaling toegekend. Dat bedrag is na bezwaar bij besluit van 27 november 2012 verhoogd.

1.4.

In oktober 2015 is namens appellanten verzocht de rente over de nabetalingen te vergoeden. Gesteld is dat een aantal keren eerder is verzocht de rente te vergoeden. Namens appellanten zijn desgevraagd brieven overgelegd, gedateerd 13 januari 2009 en 4 september 2012, waarin sprake is van een verzoek om vergoeding van rente.

1.5.

Bij besluit van 15 juli 2016 heeft verweerder de wettelijke rente vergoed over de nabetaling van 2012. Het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente over de betalingen in 2008 en 2009 is afgewezen. Het tegen het besluit van 15 juli 2016 ingediende bezwaar is bij het bestreden besluit in zoverre gegrond verklaard dat naast het eerdere vastgestelde bedrag aan wettelijke rente eveneens een vergoeding van rente is toegekend over de rente van de nabetalingen van 2012 tot het verzoek van oktober 2015. Het bezwaar tegen het niet vergoeden van de rente over de betalingen in 2008 en 2009 is ongegrond verklaard. In dat verband is overwogen dat de vordering is verjaard en niet is gebleken dat de verjaring is gestuit.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

In geschil is het standpunt van verweerder dat ten tijde van het verzoek van oktober 2015 van appellanten om vergoeding van wettelijke rente over de betalingen van 2008 en 2009 de vordering tot betaling van wettelijke rente is verjaard en dat van een stuitingshandeling niet is gebleken.

2.2.

Zoals de Raad al vaker heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1627) wordt voor de verjaring aansluiting gezocht bij de verjaringsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van deze bepalingen verjaart de rechtsvordering door verloop van vijf jaren, tenzij sprake is geweest van stuiting van de verjaring. Een stuitingshandeling moet zijn gericht tot het betrokken bestuursorgaan en kan bijvoorbeeld plaatsvinden door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de betrokkene zich ondubbelzinnig zijn aanspraak op schadevergoeding voorbehoudt.

2.3.

De stelling dat de verjaring is gestuit hebben appellanten onderbouwd met het overleggen van afschriften van brieven van 13 januari 2009 en 4 september 2012 die aan verweerder zijn gericht. Verweerder stelt echter deze brieven destijds niet te hebben ontvangen en deze pas in 2015 voor het eerst te hebben gezien. Er zijn, aldus verweerder, indertijd wel twee andere brieven met dezelfde datering ontvangen, maar die hadden een andere inhoud dan de nu overgelegde brieven. De Raad stelt vast dat van de zijde van appellanten geen gegevens naar voren zijn gebracht op grond waarvan de verzending in 2009 en in 2012 van de nu ingebrachte brieven aannemelijk is geworden. De Raad ziet dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de verjaring daarmee is gestuit. Appellanten hebben vervolgens gerefereerd aan gesprekken die medio 2012 zijn gevoerd met A, een medewerker van verweerder, waarin A zou hebben voorgesteld ermee in te stemmen om de rente te laten berekenen na afloop van de procedure over de hoogte van het verzetspensioen. Deze gesprekken zijn gevoerd na ontvangst van de nabetaling van 2012. Op dat moment was de procedure over de hoogte van de pensioengrondslag nog aanhangig. Een positief resultaat van die procedure zou tot een hogere nabetaling hebben geleid. Gelet op die omstandigheden en wat hierover ter zitting naar voren is gebracht, mag worden aangenomen dat deze gesprekken uitsluitend betrekking hadden op een rentevergoeding over de nabetaling van 2012. Dat A zich specifiek heeft uitgelaten over de betalingen van 2008 en 2009 is op generlei wijze gebleken.

2.4.

Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan gezegd moet worden dat verweerder gehouden was om van het beroep op verjaring af te zien. Verweerder heeft het verzoek van appellanten dus terecht met een beroep op verjaring afgewezen.

2.5.

Uit 2.3 en 2.4 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2018.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) F. Demiroğlu

md